Over mijn verhouding tot voedsel kan ik kort zijn : ik eet beter dan ik kook. Menig manspersoon keek bij de eerste date in stille verbijstering toe terwijl ik schaamteloos indus-triële hoeveelheden als steak bearnaise met friet vermomde eiwitten en koolhydraten naar binnen werkte. Lijnen ? Eten als een vogeltje ? Sorry, daarvoor is het leven te kort.
...

Over mijn verhouding tot voedsel kan ik kort zijn : ik eet beter dan ik kook. Menig manspersoon keek bij de eerste date in stille verbijstering toe terwijl ik schaamteloos indus-triële hoeveelheden als steak bearnaise met friet vermomde eiwitten en koolhydraten naar binnen werkte. Lijnen ? Eten als een vogeltje ? Sorry, daarvoor is het leven te kort. Een echt slechte kok ben ik niet eens. Mensen voor wie ik kook, rekenen mij de volgende ochtend nog steeds tot hun vriendenkring. Maar de echte finesse ontbreekt. Ik ben niet zo'n voorstander van gerechten die twee dagen voorbereiding vergen, negen volle minuten om ze op te eten, en twee dagen om de keuken in haar oorspronkelijke staat te herstellen. Nee, qua culinaire stijl behoor ik duidelijk tot de school van Gene Bervoets : een swingend muziekje kiezen, een grote kasserol op het vuur zetten, daarin alle toevallig aanwezige eetbare ingrediënten kwakken en een uurtje vrolijk laten pruttelen, ontspannen tegen het aanrecht geleund, onder het genot van de Côtes de Provence die voor de saus bedoeld was. De problemen beginnen als ik na het zien van een programma als De beste hobbykok van Vlaanderen mijn grenzen probeer te verleggen. Tien minuten van om het even welke gastronomische show volstaan om mij te doen inzien dat ik in termen van culinaire evolutie een regelrechte troglodiet ben, die het qua haute cuisine niet verder bracht dan maden van onder boomschors te pulken. Waarna ik mij naar de keurslager haast voor de lamskroon waarmee je volgens Peter en Sergio niks verkeerd kunt doen, maar die er na mijn manipulaties uitziet alsof Stalin er zijn strategie van de verschroeide aarde op uitgeprobeerd heeft. Met kookboeken heb ik - het zal u niet verbazen - een enigszins getroebleerde verhouding. Altijd kom ik halverwege de bereiding tot de conclusie dat één van de essentiële ingrediënten of attributen ontbreekt. Ongetwijfeld ligt in de keuken van Nigella Lawson of Martha Stewart het tweelagige kaasdoek voor het zeven van de bouillon zomaar voor het grijpen, maar niet bij mij. Zo herinner ik mij een recept dat ik in de hoogdagen van de nouvelle cuisine uit de Avenue scheurde waarin sprake was van 43 kervelblaadjes. Begin die maar eens te tellen als er in de oven acht kwartels verpieteren tot iets waaraan enkel een forensisch patholoog nog een kluif heeft. Nee, dan liever een standaardwerk als Ons kookboek, waarvan ik de jaargang 1983 bezit. Maar de foto's dateren duidelijk uit de jaren zestig, een tijdperk waarin cocktailsaus als het summum van verfijning gold. Eén van de merkwaardigste gerechten uit dit boekwerk is de omelet Soubise, een bruine eierkoek waaruit zes knakworsten piepen. Destijds wellicht een succesnummer van de katholieke landelijke vrouwen, maar niet iets waaraan ik mijn intimi wil onderwerpen, tenzij de economische crisis nog lang aanhoudt. En nee, ik ben geen fan van SOS Piet. Het ergste wat je kunt doen als de hollandaise klontert, is beginnen lezen. Geloof me, ik spreek uit ervaring : als je uiteindelijk weet hoe de magische truc met het ijsblokje werkt, ziet je saus eruit als de apotheose van een David Cronenbergfilm. Smakelijk ! Linda Asselbergs