Ik zit op de bus, het is lang geleden dat ik nog op de bus heb gezeten. Zo lang geleden dat het iets geestverruimends krijgt. Al mijn zintuigen staan open. Ik voel me een spons, zo een waar talrijke auto's mee zijn gewassen. Ik staar naar de nekharen van de man voor mij. Hij draagt een petje van FC Barcelona en een jasje van Dexia Bank. Waasland, staat erbij. Wie zijn ze ? Wat doen ze ? Wat drijft hen ertoe een dergelijke prul aan te trekken ?
...

Ik zit op de bus, het is lang geleden dat ik nog op de bus heb gezeten. Zo lang geleden dat het iets geestverruimends krijgt. Al mijn zintuigen staan open. Ik voel me een spons, zo een waar talrijke auto's mee zijn gewassen. Ik staar naar de nekharen van de man voor mij. Hij draagt een petje van FC Barcelona en een jasje van Dexia Bank. Waasland, staat erbij. Wie zijn ze ? Wat doen ze ? Wat drijft hen ertoe een dergelijke prul aan te trekken ? Aan de overkant van het gangpad zit een morsige gast in het gezelschap van een mooi meisje. Ze heeft bruine ogen die glinsteren als het zand van woestijnen, en meer van dat meligs. Ook bezit zij spitse hoektandjes. Ik hou van spitse hoektanden bij vrouwen. Het roofdierachtige daarvan, zeker als ze zich voor de rest poeslief gedragen. Ze kan niet van hem afblijven. Hij weert haar af en kijkt gegeneerd naar mij. Ik ben "die meneer", besef ik tot mijn schrik. Op zijn jasje staan letters waarvan ik de betekenis niet vat. Iemand maakt een klakkend geluid met zijn tong. Ik haat personen die klakkende geluiden maken met hun tong, of op hun vingers fluiten. Ik haat ook personen die hun neus toeterend snuiten. Al kan ik dat meestal goed verbergen, er is heel wat dat ik haat. Zou dat bij iedereen zo zijn ? Of zijn er nog mensen die door de wereld fietsen als was het een lusttuin vol toffe speelkameraden ? Zelfs wielertoeristen kan ik niet al te best verdragen. Ze komen naar buiten als de zon schijnt, zoals horzels en sluipwespen. Daar lijken ze op, in die felgekleurde kleefpakjes van hen. Ze schreeuwen dingen naar elkaar die aan fascistische commando's doen denken. Ze gedragen zich alsof het leven een leasewagen is, terwijl het leven zoals bekend veeleer onberekenbaar is zoals de schaduw van een droom. Maar laat ik over wielertoeristen zwijgen, of binnenkort kom ik zo'n beleefde dame tegen die zegt dat ik haar toch wel gekwetst heb, met mijn onvriendelijkheden over wielertoeristen. Dat haar man er toevallig een is, een hele lieve, en of ik hem zijn hobby niet gun ? Ik gun iedereen alles, altijd. Ik gun mensen zelfs hun eigen ondergang. Never drive faster than your guardian angel can fly, staat op de uitgebouwde auto aan de verkeerslichten waarvoor de bus wacht. De auto is vuil. Kaka, heeft iemand in het stof geschreven. Wie zijn ze ? Wat drijft hen ertoe zoiets te schrijven ? Het valt mee vandaag. Er heerst zon in de bus en de sfeer is gemoedelijk. Ik krijg dat doezelige gevoel dat grenst aan gelukzaligheid. We rijden door een treurige buurt die oversausd is met tevredenheid, natuurlijk volstrekt ongegrond. Ze wordt teweeggebracht door het zinderende licht, dat de dingen omspoelt en verzacht als Robijntje met bosanemoontjes, en ons de indruk geeft op weg te zijn naar een glorieuze bestemming vlak om de hoek. Daar bijvoorbeeld, in het huis met de gele lichtreclame waarop te lezen staat : "Gebroken gebit 2 uur." Misschien is het een toegangspoort naar een andere wereld. Zo banaal en zonder diepere betekenis kunnen zelfs de handelszaken in deze wormstekige omgeving niet zijn. Onder de brug van de autostrade loopt een kortgerokte vrouw. Ze draagt twee plastic zakken, mogelijks van de Zeeman. Ik kan haar niet goed zien zo in het duister, maar ze zet potsierlijke stappen, alsof ze door een halve meter water moet waden. Het licht wordt weer oogverblindend. Ik zie het glimmende voorhoofd van een man. Ik zie te veel auto's en dwaze reclamespreuken en meubels van mensen die in Brussel werken om die zwijgende interieurs te kunnen betalen. Er zou op dit alles een bom mogen vallen, maar liefst niet vandaag. Vandaag heeft iets moois en opwindends, als de ochtend voor de schoolreis op een heldere dag. Ik krijg een rare hartenklop, en nog een. Volgens de dokter kan het geen kwaad maar ik blijf het griezelig vinden, omdat het mij aan mijn sterfelijkheid herinnert en aan de spier die elke seconde moet samentrekken om mij overeind te houden in deze wereld van beton. 300 gram, met klepjes die teer zijn als goudvisvinnen. Komaan, moedig ik het dappere orgaan aan. "Mijn nonkel was bloemist en megarijk", zegt een bakvis achter mij. Iemand bootst de klank na van een scheet. Laat het op dit moment niet stoppen. Reacties : jp.mulders@skynet.be Jean-Paul Mulders