Ik heb te veel picon gedronken met de gracieuze Sophia. Zij twijfelde eerst nog tussen picon en een cocktail die Moscow mule genoemd wordt. Ze sprak dat uit als Moscow mulle, zoals ze in West-Vlaanderen zeggen: op uw mulle.

Ik zei: 'Volgens mij moet je mule uitspreken als een muilezel in het Engels.'

'Denk je?' vroeg zij, met één wenkbrauw opgetrokken en een zweem van spot in haar donkere ogen. Je weet het nooit, met Sophia. Elke spiegel weerspiegelt een spiegel en elke trein kan een andere verbergen. Voor de rest is zij het type grote mulle, klein hartje. Ik hou van kleine harten, vooral als zij zo goed kunnen drinken en lachen als Sophia.

Haar keuze is uiteindelijk toch op de picon gevallen. 'Dat drinken ze vaak in de streek waar ik vandaan kom', zei ze - alsof het een uithoek van Westeros betrof in plaats van alleen maar de Westhoek. Ik bestel graag picon omdat het een leuk woord is. Picon klinkt krachtig. Als een houweel dat in ijs wordt geslagen en waarvan de echo weerkaatst tegen een bergwand. Picon is geen drank, maar een wereld. Als ik Picon drink, voel ik mij op een terras in Marseille met de zon die een marcelleke in mijn schouders brandt. Picon doet mij denken aan verre nonkels, die in vergeten tijden in Frankrijk seizoensarbeid verrichtten. Beelden komen te gemakkelijk maar woorden zijn altijd belangrijk, of het nu om de liefde gaat of om alcoholische dranken. Picon schijnt ook gewoon een vent te zijn geweest, Gaëtan Picon zelfs. Die heeft het spul uitgevonden.

Woorden zijn altijd belangrijk, of het nu om de liefde gaat of om alcoholische dranken.

Toen de picon de muren sloopte die traditioneel tussen mensen zijn opgetrokken, sprak ik met de gracieuze Sophia over dingen van nu en over dingen van vroeger. We waren het erover eens hoe normaal wij beiden waren in een wereld vol stoornissen. Sophia zei dat zij zich in deze wereld erg eenzaam kon voelen. Dat zeggen veel mensen die ik de laatste tijd tegenkom.

Dat was gisteravond. Nu is het zondagmorgen en resten alleen een leeg bed en koppijn. De zon schijnt en tegelijk valt er regen, het rare verschijnsel dat duiveltjeskermis genoemd wordt. Er is een meisje vermoord dat Julie heette. Elisabet is de Mol en ze zegt dat ze heel vaak gehuild heeft. Een vrouw die ik nog nooit heb gesproken, stuurt mij een gedicht waarin iemand voor het raam staat en woorden ziet komen. Sommige woorden herken ik: ofschoon, rood, alvorens, niettegenstaande in zijn wapperende jas, waarachtigheid, onvolkomen...

'Ik dacht zo', schrijft de vrouw: 'het woord 'desalniettemin' zou jij vast ook wel willen zijn, dus iets moois om de zondag mee te beginnen.' Ik bof maar, denk ik: literair ontbijt op bed te krijgen van een onbekende. Soms voel ik mij een pechvogel met pek en veren. Op andere dagen heb ik het gevoel met de helm te zijn geboren. Zo noemen ze een gelukskind, naar het vlies dat bij de geboorte het hoofd van sommigen omgeeft en waaraan het bijgeloof bijzondere eigenschappen toedichtte. De gave, bijvoorbeeld, om rampen te zien naderen.

Dat is vooral interessant als je nog bijtijds weg kunt komen. Bijvoorbeeld naar een dorp in Noorwegen, waar de mensen hun voordeur niet sluiten.