Het was niet mijn roeping om schrijver te worden. Ik heb verhalen en gedichten geschreven en heb daar nog wel ideeën voor, maar ik heb gaandeweg ontdekt dat ik meer voldoening haal uit het creëren van omstandigheden waarin andere schrijvers kunnen stralen. Daar komt gelukkig ook veel creativiteit bij kijken, bijvoorbeeld in het verzinnen van uitdagende podiumformats.
...

Het was niet mijn roeping om schrijver te worden. Ik heb verhalen en gedichten geschreven en heb daar nog wel ideeën voor, maar ik heb gaandeweg ontdekt dat ik meer voldoening haal uit het creëren van omstandigheden waarin andere schrijvers kunnen stralen. Daar komt gelukkig ook veel creativiteit bij kijken, bijvoorbeeld in het verzinnen van uitdagende podiumformats. De verhuizing naar Utrecht op mijn achttiende was een grotere cultuurschok dan die naar België. Ik kwam uit een ongeschoold milieu en een boerendorp waarin je jezelf bewees door sport en het tonen van mannelijkheid, terwijl het aan de universiteit meer ging over hoe je over dingen dacht en sprak. Ik vond er mensen die mijn passie voor literatuur, taal en debatteren deelden, terwijl pestkoppen op de lagere school me alleen maar dom en lelijk noemden. Jaren later heb ik nog altijd een dubbele blik op de wereld: het dorp leeft in mij voort. Wanneer iemand me zegt dat hij niet begrijpt dat mensen op populisten stemmen, wil ik ze wel vertellen waar ik vandaan kom. Lezen is de ultieme vorm van zelfvermenigvuldiging. Het dompelt je onder in werelden en situaties die mijlenver van je eigen leven staan. Zo leerde de literatuur me als tiener al iets over de codes in de academische en de culturele wereld, net zoals Paul van Ostaijen, Willem Elsschot en Tom Naegels me lieten kennismaken met Antwerpen voor ik er zelf ging wonen. Boeken zijn een tegengif voor jachtige tijden. Je leest ze enkel door te gaan zitten en de verstilling op te zoeken. Ondertussen gebeurt er van alles in je hoofd en denk je na over jezelf: wat als ík in deze situatie zou staan? In een tijd waar mensen enorm met zichzelf bezig zijn, is lezen de ideale manier om tegelijkertijd jezelf en de wereld te ontdekken. Vroeger dacht ik dat mijn toekomst in academisch onderzoek lag. Tot ik in 2009 literair programmator werd bij deBuren en ontdekte dat ik mensen kon samenbrengen op literaire evenementen én meteen wist wat ze ervan vonden. Aan de universiteit is dat soort rechtstreekse impact zeldzaam. Daar worden academici zelden aangemoedigd om hun publiekstaak te vervullen en deel te nemen aan debatten of een goed publieksboek te schrijven. Alles draait om wetenschappelijke publicaties, die door slechts enkele collega's gelezen worden. De culturele sector is fenomenaal slecht in zelfzorg. We gaan zo hard voor de inhoud dat we er onze persoonlijke ruimte en gezondheid voor op het spel zetten. Voor mij is het belangrijk om af en toe letterlijk de deur dicht te trekken en de invloeden van buiten te beperken. Als leidinggevende heb ik een zorgtaak, maar wie niet voor zichzelf zorgt, kan op termijn ook niet voor anderen zorgen. Nadenken over een nationale identiteit is niet verwerpelijk. Verbindende verhalen zijn schaars, en niets zegt dat begrippen als de natie en het volk louter uitsluitingsmechanismen moeten zijn. Identiteit is wat we er samen van maken, en daarvoor is kunst essentieel. Kunstenaars zijn het gewend om te werken met verschillende opvattingen over de werkelijkheid. Historici die niet willen debatteren over een Vlaamse canon vergissen zich volgens mij. Als er één moment is om na te denken over ons gedeelde culturele verleden en wat we belangrijk vinden is het wel nu, en dan zeggen onafhankelijke experten nee? Wees sterk, denk ik dan, en maak in die canon niet alleen plaats voor Expo 58, maar ook voor wat er rond die tijd in Congo gebeurde. Ik ben een kind van twee werelden: voor Vlamingen een Nederlander, in Nederland een Vlaming. Dat is geen last, maar een luxe. Ik geniet van de vaart waarmee Nederlanders soms beslissingen nemen, maar ik zie ook hoe Vlamingen elkaar eerst willen leren kennen. Dat werken aan vertrouwen vertraagt, maar het zorgt ervoor dat je elkaar in de ogen kunt kijken als het lastig wordt. Ik heb geleerd om mijn gulzigheid te bedwingen. Ik wil veel meepikken en mensen ontmoeten, maar ik ga niet meer in op elke uitnodiging om in een adviescommissie of raad van bestuur te gaan zitten. Ik heb een dochter van achttien maanden die me met mijn voeten op de grond houdt, en je kunt altijd nee zeggen. Vroeger dacht ik dat de wereld dan verging, maar dat soort druk komt eerder uit jezelf dan van je omgeving.