Sorry, ik wil het toch nog even over het fameuze knuffelcontact hebben. Hoeveel mensen zou dit woord ondertussen niet in zelftwijfel hebben gestort? Ik zal voor mezelf spreken: de vraag 'wie moet ik gaan knuffelen' bezorgt me al weken een onaangename frisson. Niet omdat ik niet kan kiezen, maar omdat de waarde van een vriendschaps- of familieband voor mij niet valt af te meten aan de duur van een omhelzing. Sommige mensen die me het meest nabij zijn raak ik met geen vinger aan. Mijn zus, die 'dikke zoenen' als kind al met twee armen wegsloeg. De vriendin zonder tamtam, aan wie ik al twintig jaar op ongeveer anderhalve ...

Sorry, ik wil het toch nog even over het fameuze knuffelcontact hebben. Hoeveel mensen zou dit woord ondertussen niet in zelftwijfel hebben gestort? Ik zal voor mezelf spreken: de vraag 'wie moet ik gaan knuffelen' bezorgt me al weken een onaangename frisson. Niet omdat ik niet kan kiezen, maar omdat de waarde van een vriendschaps- of familieband voor mij niet valt af te meten aan de duur van een omhelzing. Sommige mensen die me het meest nabij zijn raak ik met geen vinger aan. Mijn zus, die 'dikke zoenen' als kind al met twee armen wegsloeg. De vriendin zonder tamtam, aan wie ik al twintig jaar op ongeveer anderhalve meter afstand mijn ziel blootleg. Hen kus ik alleen als anderen erop staan te kijken. Om te tonen dat we normaal zijn. Dat ziet er dan soms behoorlijk onbeholpen uit. In de toekomst, als alle aerosolen zijn weggevlogen en de remmen weer los mogen, zullen we onze act moeten verfijnen. Want het is nu officieel bepaald: íédereen doet aan hugging and kissing, in het hart is in de armen. Als taalgevoelig type luister ik al langer met buitengewone belangstelling naar de termen die virologen en bestuurders gebruiken om ons door de pandemiejungle te loodsen. Vermoedelijk worden ze bijgestaan door een virustaaladviseur, die met alcoholstift een fopspeen op een whiteboard tekent: 'Vergeet niet, volwassen Belgen zijn en blijven kinderen. Hou het simpel, hou het hoopvol. Stel het virus voor als een dier dat ze kunnen vangen: we hebben het bij z'n nekvel. Doet er niet toe dat het eigenlijk andersom is, dat het virus óns te grazen neemt als we niet snel kop in kas binnen gaan zitten. Geloof me, een slogan als uw huis, uw schuilkelder gaat 'm niet worden. En wat het aantal contacten betreft: enig idee hoeveel vragen de coronahulplijn gaat krijgen als u een genuanceerde boodschap brengt à la één niet-inwonende persoon mag uw huis binnen zonder masker, maar het hóéft ook weer niet, liever niet zelfs, en u bepaalt uiteraard zelf wat u al dan niet samen uitvreet?' Zo'n taalcoach heeft het ook niet makkelijk. Zoveel pandemieën zijn er nog niet geweest om mee te oefenen. Maar als er nieuwe woorden worden uitgevonden, is het oppassen geblazen. Al snel liggen mensen zich tijdens slapeloze nachten af te vragen: 'Ben ik een steen als ik mijn kaartvriend niet op schoot trek?' Of: 'Wat als iedereen geheime knuffelcoalities heeft gevormd zonder mij?' De angst slaat ook toe dat het steeds verder uitdijt, deze inmenging van hogerhand in onze lijfelijke omgang met anderen. Het begon met de elleboogstoot ter vervanging van de handdruk, die ik volwassen mannen op straat zag uitwisselen als was het de Ketnet Shake - dat niet te onthouden klapdansje waar achtjarigen tien jaar geleden warm voor liepen. Nu gaan we van spontaan contact naar knuffel contract. Wat is de volgende stap? Dat ook onze liefdesrelaties een dicterende term toebedeeld krijgen. 'U woont samen met één anaalmaatje: het virus krijgt minder kans in deze positie, en we weten allemaal: in het hart is in de aars.' Het is bang afwachten tot de volgende persconferentie.