'Dat is nog van Kiku', zegt mijn zevenjarige dochter. Ze overhandigt mij een plukje wit dons, plechtig alsof het een relikwie is.

Ze vond het dons in de vaas waarin wij theelichtjes bewaren. In het oude huis stond die onder de kooi van de kanarie, die nu al jaren in het dodenrijk is.

Kanaries zijn geen hippe vogels, en toch heeft deze onhippe vogel indruk gemaakt op ons. Kiku was handtam en hij vloog rond in de woonkamer. Het liefst stond hij te fluiten met één poot op zijn stok en één op zijn drinkbak. Met de borst vooruit leek hij op een macho aan de tapkast. Zijn levenslust flirtte dan met de grenzen van het draaglijke.

Mijn dochter spreekt nog vaak over de vogel. Soms tekent zij harten waarin zijn naam staat. Hij herinnert haar aan een wereld waarin we nog allemaal samen waren, maar die helaas onherroepelijk voorbij is. Het verbaast mij hoelang een wezen van dertig gram in het hart van een kind blijft rondfladderen. Een geval van trouw in een wereld die met de dag trouwelozer wordt.

Waarom moet ik mij over alles een mening kunnen vormen?

Ik neem het dons van haar over en stop het in een doosje waar een filmrolletje in heeft gezeten. Kiku, schrijf ik daarop in alcoholstift. Uw naam zal nooit worden vergeten, maar wel dat u van goud was. Dat is wartaal natuurlijk, maar van sommige dingen weet je dat ze tot het einde met je mee zullen verhuizen.

Mijn dochter vraagt wat dat is: een filmrolletje. Ik leid haar aandacht weg van de weemoed met een bericht in de krant over het Vlaams kampioenschap stokpaardrijden. Er staat een leuke foto bij, waarop de deelnemers op een stok met een pluchen paardenkop ronddraven. 'Het wordt hier niet zo serieus genomen als in Finland,' klaagt de quote, 'waar op elk vrij moment getraind wordt en de sport niet enkel uit jumping, maar ook uit dressuur bestaat.'

Grappig tijdverdrijf, of het zoveelste symptoom dat de wereld in decadentie wegglijdt? Stokpaardrijden is iets waarover ik mij niet meteen een mening kan vormen. Maar waarom moet ik mij over alles een mening kunnen vormen? Het is erg bevrijdend je mening aan de haak te hangen.

Het verbaast mij hoelang een wezen van dertig gram in het hart van een kind blijft rondfladderen.

Een stokpaard hebben wij, maar mijn dochter is te moe om erop te rijden. Ze hoest en heeft al dagenlang koorts en buikpijn. Het is niet zo erg, maar erg genoeg om te beseffen dat we weinig in de pap hebben te brokken. Je voelt hoe machteloos je bent als het erop aankomt. Bij wijze van troost zet ik een tekenfilm op. De heldin heet Ladybug en de slechterik Havikmot, wat ik een leuke naam vind. Hij maakt gebruik van de zwakheid van mensen om haat in hun harten te planten.

Die nacht slaapt mijn dochter onrustig. Ze roept omdat ze uit een akelige droom is wakker geschrokken. 'Ik droomde dat jij niet meer bestond', snikt ze. Ik stel haar gerust door ter plaatse te dansen. Ik doe wat mijn hart mij ingeeft en zet met mijn duim een kruisje op haar voorhoofd. ' Senuwarie', prevel ik, zoals mijn grootmoeder deed voor ik wist wat senuwarie betekent.

Het bevalt mij niet dat ik daar schaamte bij voel.

Beneden staat het doosje met het dons nog op tafel. Ik berg het op in een lade en lees in de krant over een kooivechtster van 35. Ze heeft gevochten met haar ex, maar zegt dat ze geen straatvechtster is.