"Kers. Ik ruik kers."
...

"Kers. Ik ruik kers." De man aan het tafeltje naast mij heeft net zijn neus diep in zijn wijnglas gestoken en kijkt nu ernstig naar zijn tafelgenoot. Die schudt het hoofd. "Pruimen. En een zachte toets van leder." Ik mag me dan weleens ergeren aan het rare taalgebruik van wijnkenners, maar ik begrijp hun probleem. Ik ben namelijk een snuffelaar. Boeken, groenten en de nieuwe collectie van mijn favoriete kledingmerk, ik heb ze niet alleen betast maar ook geroken voor ze in mijn winkelmandje belanden. Maar net als de wijnliefhebbers heb ik het meestal moeilijk om uit te drukken hoe ze precies ruiken. Logisch, stelt Asifa Majid, professor taal, communicatie en culturele cognitie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Bijna al onze zintuigen hebben een bijpassende abstracte woordenschat. Een aardbei is rood, zacht en zoet. Gras is groen en ritselt. Maar het Nederlands heeft amper woorden om geuren te omschrijven. De meeste termen die we gebruiken om uit te leggen wat we ruiken, verwijzen naar iets anders. Kers en pruim zijn vruchten. Zoet en ranzig zijn smaken. Jasmijn is een bloem. Scherp, smerig en fris zijn toestanden. Het enige Nederlandse geurwoord is volgens Majid muf. Het Nederlands is overigens geen uitzondering. Ook het Engels heeft maar drie geurwoorden: stinky, fragrant en musty. En de eerste twee omschrijven eerder de subjectieve ervaring van degene die ruikt dan de geur zelf. Die geurwoordschaarste is volgens westerse wetenschappers te wijten aan het feit dat geur een beetje een B-zintuig is voor onze soort. De Duitse fysioloog Hans Henning concludeerde in 1916 zelfs dat olfactorische abstractie onmogelijk is. Niets van, ontdekten Asifa Majid en haar collega Niclas Burenhult van het Max Planck Instituut. Dat westerse talen geen vocabulaire voor geur ontwikkeld hebben, wil niet zeggen dat ze dat elders in de wereld ook niet gedaan hebben. Hun team deed linguïstisch onderzoek in twee Aziatische gemeenschappen, de nomadische Jahai uit Maleisië en de Thaise Maniq. Terwijl wij in het Nederlands omwegen maken om geuren te omschrijven, hebben de Jahai twaalf geurwoorden die even accuraat zijn als kleuren in onze taal. Zoals wij een tomaat omschrijven als rood, zo omschrijven de Jahai de geur van een marter als ltpit. Pas op, ltpit is niet alleen de geur van die specifieke marter, maar ook die van een bepaalde zeep, parfum of rijp fruit én de intens geurende doerian, de in die streken zeer populaire vrucht. In het Maniq omschrijft mi danow onder andere de geur van paddenstoelen, schimmel, rot hout, oude hutten en dierenbotten. Het rijke geurvocabulaire van deze talen zou volgens Majid weleens gelinkt kunnen zijn aan het feit dat die volkeren uitzonderlijk goed zijn in het herkennen van geuren. Ze vertelde aan het Amerikaanse maandblad The Atlantic dat de Jahai tijdens het bloesemseizoen van de asarum vlotjes het onderscheid konden maken tussen de geur van de bloem, de stengel en een gebroken stengel. En misschien is er ook wel een link naar de omgeving. De Maniq hebben met hamis bijvoorbeeld een geurwoord voor 'het ruikt zonnig'. Handig, in het warme Thailand. Niet alleen wil ik nu graag een vertalend woordenboek Jahai of Maniq-Nederlands, ik begin alvast ook te broeden op een woord voor de oer-Belgische geur van frituur op nat asfalt. Suggesties op een gele briefkaart.