Het is zondag, de lucht is onbewolkt en ik denk aan de wilde frisheid van limoenen.
...

Het is zondag, de lucht is onbewolkt en ik denk aan de wilde frisheid van limoenen. Dat was een reclameslogan, in de tijd waarin we ons verveelden en niet op Instagram de toffe peer uithingen. Het was de tijd vóór Netflix en Temptation Island. Je kon scoren met een citrusvrucht die er net iets anders dan de doordeweekse citroen uitzag. Limoenen waren in die dagen nog exotisch, het is bijna niet te geloven. Ik herinner mij de jonge vrouw die met onbedekte borsten uit de golven stapte, om zich heen spetterend in wat de eerste softpornocommercial genoemd kan worden. Met die ene, ridicule slogan verankerde een copywriter een banaal merk in het collectieve onderbewuste van een hele generatie. Het toffe aan de limoentijd, zoals ik die dagen van onschuld ben gaan noemen, is dat we het zwaard van Damocles nog niet zagen. De toekomst was onbewolkt en stralend. Je had natuurlijk wel de wapenwedloop. Kernraketten zoals de SS-20 en de Minuteman - hoe sarcastisch moet je zijn om zo'n ding een naam te geven die aan instant soup doet denken? - lagen in ondergrondse silo's op hun fifteen minutes of fame te wachten. Maar er zaten nog mensen aan de knoppen, terwijl je nu de indruk hebt dat niemand het nog onder controle heeft. 'De ijsberen zijn aan het sterven', zegt mijn dochter van zes. 'Dat komt door de mens. Wij denken alleen maar aan onszelf.' Zij kijkt dan verontwaardigd, met die donkere ogen waar ook honing in zit. De ernst die ik daarin zie, behoort tot het puurste dat ik op deze wereld al ben tegengekomen. Zelfs de haaien gaan naar de haaien, kindje, denk ik dan. Maar dat zeg ik niet. Zij torst al genoeg van onze wandaden op haar kleine schouders. In de limoentijd waarin ik ben geboren, was de verbrandingsmotor cool en onbesproken. Wij klemden met wasknijpers speelkaarten vast aan de vork van onze fietsen. Bij het rijden ratelden die tegen de spaken en overtuigden ons ervan dat we op een brommer zaten. Dat was zo leuk dat ik het graag nog één keer zou willen ervaren. Maar daarvoor is er te veel blauw op straat in de buurt waar ik woon. Toen ik onlangs de nummerplaat van mijn auto probeerde los te schroeven, stopte er al na dertig seconden een zwaantje naast mij. 'Wat bent u aan het doen?' Het zwaantje had geen snor en was zo te zien erg jong. Dat gaf hetzelfde gevoel van vervreemding als gastro-enterologen die nog groen zijn achter hun oren, maar je wel al op darmkanker kunnen onderzoeken. 'Dit is mijn auto', legde ik uit. 'Ik check of de nummerplaten er na tien jaar nog niet aan vastgeroest zijn omdat ik ze binnenkort aan mijn nieuwe, milieuvriendelijker voertuig wil hangen.' Dat klonk misschien wat eigenaardig. 'Ik begrijp uw wantrouwen', lachte ik. 'De politie waakt. Dat is een geruststelling.' Zoals dat hoort voor zwaantjes, bleef het zwaantje ernstig. In zijn ogen las ik: rare snuiter. Maar wellicht niet gevaarlijk. Hij gaf zijn motorfiets de sporen en reed verder, zonder nog iets toe te voegen aan het weinige dat er gezegd was. Ik vroeg me af of hij de frisheid van limoenen kende. En vanaf welke dosering ironie beschouwd kan worden als smaad aan de politie.