De mensen gaan nu spontaan opzij als ze mij op straat zien aankomen. Ik geloof niet dat ik er ooit eerder zo vervaarlijk heb uitgezien. Zo moet een getatoeëerde kleerkast van 1 meter 95 zich altijd voelen. Bij mij wordt er helaas slechts achteruitgedeinsd uit schrik voor wat wordt genoemd: het nieuwe coronavirus.
...

De mensen gaan nu spontaan opzij als ze mij op straat zien aankomen. Ik geloof niet dat ik er ooit eerder zo vervaarlijk heb uitgezien. Zo moet een getatoeëerde kleerkast van 1 meter 95 zich altijd voelen. Bij mij wordt er helaas slechts achteruitgedeinsd uit schrik voor wat wordt genoemd: het nieuwe coronavirus. In de krant staat dat daar in Italië alleen al honderd dokters aan zijn gestorven. Dokters mogen niet sterven, heb ik altijd gevonden. Zij moeten genezen en helen en kinderen ter wereld brengen. Ik herinner mij de verbijstering toen ik acht was en onze huisarts de pijp uitging. Hij leek op Elvis en reed met een Ford Mustang, maar dronk zich redelijk alledaags het graf in. Op het plafond van onze woonkamer zaten vlekken van een injectiespuit die hij te enthousiast had ontlucht voor hij ze in de kont van mijn grootmoeder stak. Later hoorde ik dat de mensen die zijn huis kochten 's nachts in de kamers hoorden zuchten. Mijn grootmoeder heb ik na haar dood nooit meer horen zuchten, niet in de nacht en ook bij klaarlichte dag niet. Voor het eerst ben ik blij dat zij al twaalf jaar voor alle virussen immuun is. Ik herinner mij hoe ik haar bezocht in het rusthuis, waar zij met andere oudjes in de wachtkamer zat. De dienstregeling was onduidelijk, maar om de tijd te korten konden zij zich laven aan het zicht van hertenkalfjes die op een weide dartelden. Eén vrouw, ik geloof dat ze Zulma heette, had 's nachts plots haar vermogen tot zien verloren. In de refter jammerde ze zachtjes dat ze het zo miste: 'Al die mooie ansichtkaarten.' Ik was jong en kon mij niet voorstellen dat je de onzichtbaarheid van ansichtkaarten als een gemis kunt ervaren. Aan ansichtkaarten moet ik denken als ik nu hoor van die rusthuizen vol mensen, die de oorlog overleefden maar geveld worden door een op hol geslagen sluipschutter. Mijn moeder (76) zit nu in de vuurlijn. Ik voorzie haar van spijs en drank, die ik bij de garagepoort drop alsof ik een militair vliegtuig was. Wij zwaaien dan naar elkaar vanuit de verte en roepen woorden van moed en volharding. Ik hou van de frivoliteit in haar boodschappenlijstje. Tot haar verlangens behoren zoete wijn die Liebfraumilch genoemd wordt, pannenkoeken, roomijs in diverse kleuren en drie spuitbussen slagroom. Elke dag een flinke toef crème fraiche van de Aldi: het is zo'n geheim om aan de krant te verklappen als je honderd jaar oud bent geworden. Mijn dochters (7 en 13) zijn ook verzot op zoetigheid, it runs in the family. Om de verveling te verschalken, hebben wij beslist voor het eerst zelf marsepein te maken. Amandelmeel, poedersuiker, enkele druppels citroen en wit van een ei dat onhandig van het geel wordt gescheiden: het is vreemd om een levenslang wonder tot zulk een eenvoudig recept herleid te zien. Marsepein in tijden van massapijn, denk ik terwijl we de boel staan te kneden. In tijden van nood worden de woordspelingen niet beter. Mijn dochters vinden de lekkernij 'overheerlijk' en 'zalig'. Daarna keren ze terug naar hun Playmobildromen. 'Spelen we hierna ook dat de paarden op elkaar verliefd worden?', hoor ik de ene aan de andere vragen.