Tegen het raam gloeien groene doodshoofden na in het duister en ik kijk naar een documentaire over Hiroshima. Een reporter is ernaar teruggekeerd, een mensenleven na de atoombom. Het spreekt tot mijn verbeelding dat je daar nu gewoon weer kunt lachen en ademen. Je haalt bier uit de minibar op een plek die ooit de hel op aarde was. Little Boy, heette de bom, met militair gevoel voor humor.

Een dame die het als kind zelf heeft meegemaakt, vertelt over buiken die openspatten en ogen die uit hun kassen hingen. Tegenwoordig jaag je mensen geen schrik meer aan met de atoombom. We zijn bang voor pompoenen die uitgehold zijn. We zijn bang voor bijkomende taksen en woonbonussen die teloorgaan. We zijn bang voor een tekort aan liefde en een teveel aan witte bloedlichamen. Ik heb ook meer schrik voor een tekort aan liefde dan voor de atoombom. Tekort aan liefde is het ergste wat je kan overkomen. Het wordt stilzwijgend afgeworpen van op grote hoogte.

Tegenwoordig zijn we banger voor een tekort aan liefde dan voor een atoombom.

De reporter zegt dat Hiroshima voor de oorlog het meest uitgestrekte tramnetwerk had van heel Japan. Dat vind ik een tragisch detail. Het voert mij naar een intrigerende plek waarvan ik het bestaan niet vermoedde: de Lijst van Steden met Tramlijnen op Wikipedia. Voor de leek lijken tramlijnen in de wereld een oneindig en onontwarbaar kluwen. De lijst is echter beknopter dan je zou denken. In India heb je twee steden waar trams lopen, er is er maar één op de Filipijnen. In Novotsjerkassk rijden 34 voertuigen over een netwerk van 20,2 kilometer. Daar wil ik de tram nemen, op een spoorwijdte van 1524 millimeter.

Je hebt van die dingen die je leuk vindt sinds je ze voor het eerst tegenkwam. Bij mij zijn dat boezems, zoals bij zovelen, met de tram als goede tweede. Ik hou van de onverzettelijkheid van een ding dat een eeuw lang koppig hetzelfde traject blijft rijden. Rozen verwelken en schepen vergaan, alleen tram 4 blijft eeuwig bestaan.

Tram 2 passeert niet ver van mijn deur, met gerommel en misbaar maar zonder zich ooit in een gevel te boren. Hij rijdt naar een plek die Melle Leeuw is genoemd, maar waar niet veel groters dan lapjeskatten valt te bespeuren. Aan de andere kant, in het oordschap Zwijnaarde, komt geen zwartpootvarken in het wild voor.

Het spreekt tot mijn verbeelding dat je in Hiroshima nu gewoon weer kunt lachen en ademen.

Ooit zag ik een bus waarop stond: 'via crematorium'. Dat klonk luguber, al liet het woord via veronderstellen dat je daarna ook gewoon weer heelhuids weg kon komen. Om weg te komen, halen bussen het niet bij de baanvastheid van de tram. Het langste type in mijn stad is vernoemd naar een enorme zeevogel die onbeholpen rondscharrelt aan land. Hij voedt zich met inktvis en krill, terwijl de tram genoeg heeft aan gelijkstroom van 600 volt. De stroomafnemer aan de bovenkant, die lijkt op de poten van een griezelig insect, heet pantograaf of schaarbeugel. Zo verklapte mij een vrouw voor zij verdween in de nevel. Haar vader had een leven lang pantografen onderhouden en hersteld.

Gelukkig neem je in Hiroshima tegenwoordig gewoon weer de tram. Er lopen 1,2 miljoen onverdelgbare mensen en drie rijtuigen die er - zo wil de legende - al waren vóór de bom.