"Het is verschrikkelijk. Ik moet weg uit dit atelier in het centrum van Antwerpen en heb nog een jaar om iets nieuws te vinden. Mijn vrouw heeft hiernaast een winkel, beneden zit een deli, dus dat is één beweging. En achter het atelier zit een appartement dat ik uitleen aan een jonge kunstenaar en zijn vrouw. Dat is mijn sociale kant. Daarom vind ik het zo erg dat ik weg moet.
...

"Het is verschrikkelijk. Ik moet weg uit dit atelier in het centrum van Antwerpen en heb nog een jaar om iets nieuws te vinden. Mijn vrouw heeft hiernaast een winkel, beneden zit een deli, dus dat is één beweging. En achter het atelier zit een appartement dat ik uitleen aan een jonge kunstenaar en zijn vrouw. Dat is mijn sociale kant. Daarom vind ik het zo erg dat ik weg moet. I'm always in slow motion. Ik kom elke dag naar hier. Soms schilder ik niet, maar ik moet hier zijn. Ik arriveer rond tien, elf uur, kleed me om, neem een koffie, lees mijn kranten, blader in boeken en dan... attack. Ik kan drie, vier uur geconcentreerd werken, maar dan is het op. Dan kan ik zelfs niets meer aandachtig lezen. Eigenlijk moet ik dan naar buiten. Ik heb de stad nodig, op het platteland word ik gek. Het is idyllisch en zo, maar niet aan mij besteed. Ik moet onder de mensen komen. Ik begin meestal met een duidelijk concept, maar het blijft een impressionistische bezigheid. Inspiratie komt binnen. Ik ben geen documentairemaker, ik doe niet aan exactheid. Alles kan me triggeren. Kunstenaars, boeken, tijdschriften, gesprekken, observaties. Baders op een ponton in de Middellandse Zee, een straatartiest, een dakloze man aan het Centre Pompidou, de hond van Goya. Op een avond reed ik mijn garage in, en mijn koplampen vingen een stoel met een lavabo erop. Daar maak ik dan een tekeningetje van en hang het op. De foto's en tekeningen aan die muur bieden je een soort blik in mijn brein. Dit is wat tegen mijn schedel kleeft. Voor mijn tentoonstelling in New York heb ik al het werk uitgestald en een wall gemaakt. Alles samen gehangen, om de puzzel te leggen. Dat zijn de werken waar ik nog iets mee wil doen. Een soort to-dolijst eigenlijk. Alles moet over een week klaar zijn, dus de druk is hoog. En dan komt de angst. Angst dat het niet goed genoeg is. Het einddoel van elk werk is het vermogen om sensatie te veroorzaken. Om iets op te wekken. Verwondering, ontreddering, het maakt niet uit. Dus ja, mijn werk moet gezien worden, anders bestaat het niet echt. Daarom zijn titels belangrijk. Ze schieten me te binnen tijdens het werken en voegen een betekenis toe. Het stoel-met-lavaboschilderij heet Interrogation. Een werk is af als ik vind dat het af is. Je kunt alles verkopen, je kunt iedereen bedonderen, maar niet jezelf. Je weet wanneer iets goed is of niet. Ik ben streng, er zijn werken waar ik al drie jaar aan bezig ben. Maar soms zegt een galerist of een vriend: 'Het is fantastisch, het is af.' Dan kan ik het loslaten. Je maakt een werk niet alleen. Als kunstenaar probeer je te vertalen wat er in de wereld te zien is en waar we mee bezig zijn. Mijn werk is een vraag, ik breng onze ongemakken in beeld. Ik ben 66, en voel me een indiaan die met zijn hand boven zijn ogen in de verte tuurt. Het is niet zo ver meer. Een van mijn beste vrienden is ziek. Stervende. We zien elkaar bijna elke ochtend. Drinken een koffie en een wijntje. Ik heb daar verdriet van. We zijn bezig aan het lange afscheid. Ik werk nu aan een schilderij van een trommeltje. Misschien omdat ik me afvraag hoelang ik nog zal kunnen trommelen."