Wat blijft er over van ons, nu de broden zijn gebakken, het straatapplaus is uitgestorven en de zoomfeestjes zijn gestopt? Gelatenheid. Voor koffies in het park is het twee graden te koud. In mijn wijk flikkert om vijf uur 's middags achter bijna elk raam een televisiescherm. Ik wacht op zwaluwen en AstraZeneca.
...

Wat blijft er over van ons, nu de broden zijn gebakken, het straatapplaus is uitgestorven en de zoomfeestjes zijn gestopt? Gelatenheid. Voor koffies in het park is het twee graden te koud. In mijn wijk flikkert om vijf uur 's middags achter bijna elk raam een televisiescherm. Ik wacht op zwaluwen en AstraZeneca. Ik probeer het positief te bekijken: er breekt een interessante mentale fase aan. Nu we nergens meer verwacht worden, wordt het makkelijker om even niks van onszelf te verwachten. Intermittent fasters eten al eens een kroketje 's avonds. Miracle mornings met koudwaterdouches en peptalkrituelen blijken niet levensnoodzakelijk. En in ons thuiskantoor lijken vragen als 'Waar zie je jezelf over tien jaar?' heel ver weg. Vlieg toch op. Misschien zijn er over tien jaar alleen nog maar vleermuizen. Saai zijn is voor het eerst toegestaan. Meer nog, ik heb ontdekt dat het woord 'saai' een prima conversatiestarter is. 'Hoe is 't?' 'Saai.' Waar 'goed' de boel dichtgooit, zorgt saai voor onbegrensde mogelijkheden. De ander kan erop inpikken met 'Zwijg stil!', waarna je elkaar overtroeft in saaiheid. 'Een zak diepvriesscampi's kiezen was het spannendste van mijn dag.' - 'Ik kan niet stoppen met sokbollen rollen.' Maar verdriet en stille zorgen kunnen evengoed bovendrijven: als zelfverklaarde saaierik ben je een lege bak waar je gesprekspartner iets in mag leggen. Saai velt geen oordeel. Saai staat niet klaar met ongevraagd advies. Saai slaat een afzichtelijk maar superzacht fleecedeken om je schouders. Wie het woord nog nooit in de mond heeft durven te nemen, raad ik aan om te oefenen op ouders of dichte vrienden, en dan de stap te zetten naar kennissen, collega's en frituuruitbaters. Zelf ben ik inmiddels in het stadium dat ik te pas en te onpas mensen opbel met de mededeling: 'Ik heb alweer helemaal níks te vertellen!' Toegegeven, dan zit je al in de hoogste klas van de Saaischool. Maar bijleren gaat snel, en de basisregel is simpel: in een wereld die beige is, wrijf je anderen best niet te veel kleur in het gezicht. Stel, je hebt onverhoopt toch iets boeiends meegemaakt. Je bent naar een expo van lockdownkunst geweest en raakte daar, pats-boem, aan de oogflirt met een wildvreemde. In een lege zaal, onder een foto van een mondmasker in de modder, sloegen jullie als gekken aan het kussen. Een prachtig verhaal, maar bewaar het alsjeblieft voor later. Momenteel oogst je hoogstens een verslagen 'wow'. En dat terwijl er parels van onthullingen te rapen vallen. 'Mijn vent zit godganse dagen op de sofa in niks meer dan een pyjamabovenstuk. Ik zeg steeds, een bank is geen onderbroek.' Niemand die je dit vertelt als je niet zwijgt over je eigen dopaminerush. De scampi's die ik uiteindelijk kocht, bleken thuis een beetje raar te ruiken. Ik twijfelde. Stel je voor dat ik een voedselvergiftiging kreeg. Een nanoseconde flitste er een krankzinnige gedachte door mijn hoofd. 'Ik zou wél nog eens voelen dat ik lééf.' Ik belde meteen de vriendin met de man zonder onderbroek om over deze nieuwe gradatie van saaiheid te getuigen. Zonder gêne, heerlijk met de billen bloot.