Er speelt een nummer van James Brown op de radio als ik mijn dochter van acht naar school breng. 'Dat is een leuk liedje', zegt mijn dochter goedkeurend. Ik mompel instemmend. Ik heb zo'n vermoeden wat er zal volgen.
...

Er speelt een nummer van James Brown op de radio als ik mijn dochter van acht naar school breng. 'Dat is een leuk liedje', zegt mijn dochter goedkeurend. Ik mompel instemmend. Ik heb zo'n vermoeden wat er zal volgen. James Brown slaakt nog een oerkreet, maar dan komt het refrein onvermijdelijk: 'Get up / Get up / Stay on the scene / Like a sex machine'. 'Wat zíngt hij?' vraagt mijn dochter verontwaardigd. 'Wélke machine?' 'Seksmachine', zeg ik zakelijk. Als betrof het een apparaat dat in elke Brico of Gamma te koop staat. Mijn dochter trekt een lelijk gezicht en zegt: 'Bah, hoe smerig.' James Brown heeft er voorgoed gelegen. Ik hou van de puriteinse manier waarop achtjarigen naar de wereld kunnen kijken. Zij worden niet gehinderd door het gezeur van hormonen dat later je rust komt verstoren, als de hond in het kegelspel of de olifant in de porseleinwinkel. Soms komt dat puriteinse in de oude dag terug, als de drift is uitgewoed en de prostaat begint op te spelen. Zoals bij wijlen mijn grootvader. Ik herinner mij hoe hij zich eraan ergerde als er zelfs maar een zweem van borst te zien was op televisie. Hij hield van Eurosong. Hoe verbijsterd zou hij daar nu door geweest zijn. Mijn dochter heeft een feilloze radar voor alles wat er vanuit de wereld van de volwassenen doorschemert aan erotiek of dubbelzinnigheid. Een stem op de radio moet maar een beetje zwoel klinken en ze vraagt schamper: 'Waarom zingt die mevrouw zo raar? Ze denkt zeker dat ze interessant is?' En dubbelzinnigheid loert overal. Dat kon ik zelfs vaststellen in het boek Poes dat ik ter verstrooiing in het kleinste kamertje gelegd had. Ik dacht dat het een onschuldige uitgave was, over de lievelingskat van Salvador Dalí en de kattenstoet in Ieper. Tot ik op pagina 143 bots op een tekening van Peter van Straaten. Ze laat een poes zien die een, welja, andere poes likt. Gelukkig merk ik dat op vóór mijn dochter de kans krijgt het boek te doorbladeren. Hoe had ik dat anders moeten verklaren? Maar om bij James Brown te blijven: probeer aan een kind van acht maar eens uit te leggen wat een zanger bedoelt met een seksmachine. Ik kan niet zeggen dat wij dat vroeger zongen, over een meisje dat in was voor veel dingen: 'Clo-ho-dine, de blonde seksmachine.' We waren zestien. Ze was niet eens blond, maar het klonk goed als je het op de tonen van Peter Koelewijn en zijn Rockets zong. Het nummer dateert van 1973, wat doet vermoeden dat Koelewijn zijn mosterd haalde bij James Brown. 1973 is lang geleden intussen. Zwijgend rijden dochter en ik voort, elk in onze eigen gedachten verzonken. Op de radio woedt een discussie over tuinfeesten die je mag geven voor vijftig personen. Ik heb nog nooit een tuinfeest gegeven, niet met en ook niet zonder catering. Steeds minder lijk ik te begrijpen waar het om draait in de wereld. Wel lees ik nog poëzie en vergeet ik niet te ademen. Soms lijkt dat een hele prestatie. Het was geloof ik Pessoa die zei: 'Als het hart kon denken, stond het stil.' Ik denk aan wat ik in Poes over Babou heb gelezen. In de jaren 1960 vergezelde zij Dalí aan een leiband met edelstenen.