Met 7,5 miljard zijn we, en iedere mens op deze aardbol is uniek. Om te beginnen hebben we, met uitzondering van eeneiige tweelingen, allemaal een uniek genenpakket en vanaf dag één beeldhouwt onze omgeving mee aan wie we zijn.
...

Met 7,5 miljard zijn we, en iedere mens op deze aardbol is uniek. Om te beginnen hebben we, met uitzondering van eeneiige tweelingen, allemaal een uniek genenpakket en vanaf dag één beeldhouwt onze omgeving mee aan wie we zijn. Dat is iets waar we ons volgens de Zwitserse arts Remo Largo niet genoeg van bewust zijn. Hij leidde in Zürich van 1974 tot 2005 een langlopend onderzoek dat bestudeerde hoe zevenhonderd kinderen van twee generaties zich ontwikkelden. "We gaan ervan uit dat iedereen min of meer gelijk is, dat we vergelijkbare talenten en behoeften hebben en dat we allemaal hetzelfde kunnen presteren. Dat is niet zo en we zouden een stuk tevredener zijn als we dat zouden erkennen. Dat is natuurlijk niet makkelijk. Hoe maak je als maatschappij algemene regels die ervoor zorgen dat een individu in harmonie met zijn omgeving kan leven? En hoe ga je zelf om met de verscheidenheid van mensen om je heen?" Moeilijke vragen waar Largo in zijn nieuwe boek, Individu, een antwoord op probeert te geven. Klopt. Mensen horen dat niet graag. Toch is het zo. Neem nu onze sociale vaardigheden. Sommige mensen gaan heel vlot met iedereen om, anderen vinden dat heel moeilijk. Sommige mensen vinden het moeilijk om andermans gezichtsuitdrukkingen en dus gevoelens te lezen, anderen zijn er goed in. Sommige mensen zijn zorgzaam en anderen niet. In een ideale wereld is iedereen aardig, empathisch, intelligent en niet arrogant, maar jammer genoeg is dat niet zo. We hebben elk een heel individueel profiel. Onze genen voorzien een blauwdruk, ze zijn een gegeven en de basisstructuur van waaruit alles vertrekt. Onze omgeving kan het potentieel dat in onze genen vastligt, realiseren. Een voorbeeld. Onze hersenen bieden de mogelijkheid om taal te leren. We kunnen woordenschat onthouden, grammatica begrijpen, zinnen bouwen. Maar we doen dat alleen als het ons geleerd wordt. Als we pakweg de eerste vier jaar van ons leven in een taalloze omgeving doorbrengen, zoals de zeldzame wolfskinderen die tussen dieren opgroeien, zullen we nooit vlot leren spreken. De meesten van ons doen dat uiteraard wel, maar onze variëteit op dat vlak is immens. Sommige mensen krijgen, hoe hard ze ook hun best doen, amper het alfabet aangeleerd, terwijl anderen al vroeg in ronkende volzinnen spreken. De menselijke soort vertoont een extreme variabiliteit op elk mogelijk vlak. Nee. Laat ons lengte als voorbeeld nemen. Hoe groot we worden, wordt bepaald door onze genen. Een kind dat goed gevoed en verzorgd wordt, zal zonder problemen die lengte bereiken. Een kind dat ondervoed wordt, zal kleiner blijven. Een kind dat overvoed wordt, zal niet groter worden dan zijn potentiële lengte, het zal waarschijnlijk dik worden. Deze regel geldt niet alleen voor fysieke kenmerken, maar ook voor onze cognitieve, taalkundige en sociale vaardigheden. We kunnen ons potentieel realiseren, maar er zijn grenzen. Als je een kind voorbij die grens probeert te duwen, door het te veel te stimuleren, te bestraffen, noem maar op, dan krijg je geen intelligenter of getalenteerder kind, maar zul je het demotiveren of frustreren. Ook in ons professionele leven zien we dat. Als we boven of onder ons niveau werken, of als we iets moeten doen wat ons helemaal niet ligt, dan krijgen we problemen zoals burn-out. Onze scholen zijn inderdaad niet efficiënt georganiseerd. Ze gaan ervan uit dat alle zesjarigen op elkaar lijken, maar er zijn grote verschillen in talenten, in ervaringen en ook in ontwikkeling. Niet elk kind is even nieuwsgierig of leert even snel. De meeste kinderen leren lezen tussen hun zes en acht, maar sommige kinderen willen op hun derde al met letters aan de slag en anderen leren het pas echt goed op hun achtste. In een klasje met zesjarigen zul je kinderen hebben die qua ontwikkeling eigenlijk nog maar vier of vijf zijn, maar ook kinderen die al zeven of acht lijken. Ons onderwijssysteem zet die allemaal samen. We moeten onze kinderen accepteren als unieke individuen, maar dat blijkt moeilijk. Scholen geloven niet dat ze elk kind als individu kunnen behandelen en ouders zijn ongerust omdat ze bang zijn dat hun kind niet zal slagen in de maatschappij. Alleen, het probleem is niet de ongelofelijke variëteit van onze kinderen, maar onze houding als volwassenen. We vergelijken onze kinderen en onszelf de hele tijd met andere mensen en dat creëert verwachtingen. Dat zag ik dagelijks in het ziekenhuis. Er kwamen kinderen die slapeloos waren, een verstoorde motoriek hadden of zich terugtrokken omdat ze niet voldeden aan de verwachtingen. De ouders vroegen ons ervoor te zorgen dat hun kinderen voldeden aan de norm. Pas als de mening van de ouders of leerkrachten aangepast werd aan de individuele behoeften en mogelijkheden van hun kind, raakte het probleem opgelost. We willen graag 'normaal' zijn en vinden het handig als de mensen rondom ons dat ook zijn. Maar dat valt moeilijk te rijmen met het feit dat we allemaal uniek zijn. Als school en ouder is het onze taak om een omgeving te creëren waar een kind zijn potentieel kan ontwikkelen, want dat is wat het van nature wil doen. En nee, dat wil niet zeggen dat je kunt sturen wat voor individu je kind wordt. Elk kind kiest tot op zekere hoogte zijn eigen ervaringen. Omgeving is belangrijk. Als je nooit een boek ziet voor je zes bent, is de kans dat je een passie voor lezen ontwikkelt niet groot. Maar omgeving is niet allesbepalend. Het is niet omdat je in een huis vol boeken opgroeit, dat je een boekenwurm wordt. Misschien loop de je de hele tijd in de tuin achter een bal aan. Naast genen en omgeving is het kind zelf een derde belangrijke factor. Dat Fitprincipe is geen exclusief menselijk streven. Elke plant, dier en organisme wil overleven, succes hebben en in harmonie met zijn omgeving leven. Dat is hoe evolutie werkt. We willen eerst en vooral onze basisbehoeften bevredigen, iets wat de meeste mensen vandaag vrij vlot lukt. Daarnaast willen we ook onze talenten ontplooien en in de praktijk brengen. We willen graag een persoonlijk en professioneel leven dat past bij wie we zijn, want hoe beter dat lukt, hoe groter ons welzijn en onze eigenwaarde. Tegen de tijd dat we volwassen zijn, hebben we vaak een vertroebeld beeld van onze talenten en noden, daarom dat zelfkennis zo belangrijk is. We houden onze verwachtingen best realistisch, en het is ook belangrijk dat we onze basisbehoeften goed inschatten. Iets wat niet altijd lukt. Denk maar aan de mensen die heel hard werken voor aanzien en rijkdom, maar alleen en eenzaam eindigen. Ook de maatschappij biedt ons niet altijd de mogelijkheden om het leven te leiden dat we nodig hebben. Tot op zekere hoogte, ja. Bijna iedereen krijgt vandaag inderdaad onderwijs en de kans om uit te zoeken wat hem of haar ligt. Daarna is het iets minder makkelijk. 70 % van onze economie draait om de service-industrie, maar wat als dat je ding niet is? Wat als je talent ligt in het in elkaar zetten van kleding of als je gelukkig bent bij het omhakken van bomen? Dan biedt onze huidige maatschappij meteen veel minder mogelijkheden. Ze is op dat vlak een beetje eendimensionaal. Of neem geborgenheid, een van onze belangrijkste noden. Ouderen willen het liefst in een gemeenschap oud worden, maar komen in instellingen terecht. Kinderen hebben veel andere kinderen nodig om op te groeien, want ze leren al spelend ontzettend veel van elkaar, maar ze brengen steeds meer tijd door voor schermen en op school leren ze van de volwassene voor de klas, niet van hun klasgenootjes. De eerste tweehonderdduizend jaar van onze evolutie leefden we in kleine gemeenschappen van twee-, driehonderd mensen. Iedereen kende iedereen en we wisten alles over elkaars sterkten en zwakheden. We waren van elkaar afhankelijk, dus werden die verschillen aanvaard. Om de mensen om je heen als unieke individuen te respecteren, heb je familiariteit en onderlinge afhankelijkheid nodig. Alleen, die hebben we vandaag minder. Natuurlijk hebben we familie en een vriendenkring. Maar echte gemeenschap gaat niet alleen over samen eten, drinken en feesten, het gaat ook over voor elkaar zorgen, elkaar bijstaan en dus afhankelijk zijn. Van iemand die je niet kent en die je niet nodig hebt, accepteer je veel minder. Voor mij is succes erin slagen om je noden te bevredigen en je talenten te gebruiken. Als je een zorgende persoonlijkheid hebt, dan zal een job in de zorgsector je gelukkig maken. Alleen zien wij dat als maatschappij niet als een prestigieuze baan, en is de druk in die sector bovendien vaak zo hoog dat men niet meer aan echt zorgen toekomt. Ook ons idee van falen klopt vandaag niet helemaal. Ik zag in het ziekenhuis weleens verplegend personeel dat promotie kreeg en een afdeling mocht leiden. Na een tijdje waren ze doodongelukkig omdat ze in een kantoor met administratie bezig waren in plaats van op de kamers patiënten te verzorgen. Als zij een stap terug wilden zetten, werd dat gezien als een mislukking, terwijl het voor hun levenskwaliteit een uitstekend idee was. Een succesvol leven gaat niet om uitzonderlijke prestaties, promotie, aanzien of rijkdom, het gaat om jezelf kennen en daarmee aan de slag gaan. Net zoals elk mens uniek is, is ook ons levenspad dat. Als we kijken naar hoe onze scholen, bedrijven en zelfs ons sociaal leven georganiseerd zijn, zien we bovendien veel competitie. Het draait vaak om prestaties en wie het beste, snelste of slimste is. We zijn ook nooit 100 % zeker dat we volgend jaar onze boeiende job of onze fijne partner nog zullen hebben. Dat zorgt voor veel stress, dus is het niet verrassend dat we ziek worden, depressieve klachten krijgen of opbranden. Toch niet, want voor mij sluiten gemeenschap en individualisme elkaar niet uit. Integendeel. Om als individu een harmonieus en gelukkig leven te leiden, heb je een sterke gemeenschap nodig. En ik denk dat die ook op komst is. Iets als een basisinkomen kan de verlammende onzekerheid waar we mee leven wegnemen, en een herinrichting van steden en woongemeenschappen kan voor hechtere gemeenschappen zorgen. Weet je, we zijn een heel adaptieve soort.We zijn hier na tweehonderdduizend jaar nog altijd, omdat we er altijd in geslaagd zijn ons aan te passen aan de veranderende omgeving. We hebben bijna alle beproevingen die op ons pad kwamen overwonnen. Ik ben optimistisch, ik denk dat we in de grond wel beseffen wat we nodig hebben, maar dat het tijd vraagt om onze maatschappij en onze mentaliteit aan te passen.