Vaak gestelde vraag in huis: 'Welke dag is het vandaag?'

Niet dat het antwoord van enig belang zou zijn, alle dagen zijn on-dagen, maar door ons te kunnen oriënteren in de tijd schenken wij onszelf nog een beetje houvast aan de werkelijkheid. Of we maken onszelf dat gaarne wijs.

Als ik me niet vergis stellen ze die vraag ook aan iedereen die mogelijks dementerend is. Wie verloren loopt op het kalendervel, die gaat eraan.

Ik ben ook de tel kwijt als het erop aankomt te zeggen hoelang precies wij al geconfineerd zijn. Ik zou het kunnen opzoeken, het staat vast wel in de krant, maar de lust ontbreekt me. Wat moet ik er ook mee, mij te voelen als een gevangene die dagelijks, meteen na het ontwaken, streepjes krast in de kalk van zijn celmuur?

Nimmer heb ik zo vaak en zo uitdrukkelijk uitgesproken hoe graag ik haar zie.

Als ik dat zou wensen zou ik kunnen aftellen, eindelijk. De regering heeft ons immers een strohalmpje hoop geboden. De dag waarop we onze straat mogen verlaten. De dag waarop we, godbetert, gemondmaskerd mogen rondhuppen, en wel in een straal van 100 kilometer rondom ons huis. Tenminste als we in een tamelijk gezond verklaarde zone wonen. Op die informatie is het nog een hele week wachten. Neen, ik begin er niet aan, aan dat aftellen, en moet me pantseren tegen een opdoffer.

Het regent al een eeuwigheid onverdroten, zoals het ook vorige winter maar bleef regenen. Regen, regen, regen. In feite regent het meer dan het in het boek Abel Gholaerts van Louis Paul Boon deed; een roman waarvan volgens Bernard Kemp 'een grauwe naamloze collectiviteit' het eigenlijke hoofdpersonage is. Ik herinner mij dat ik dat boek destijds bijna onder een paraplu ging zitten lezen, en dat ik klaar was voor een vijfgangenmaal van louter antidepressiva, toen ik het uit had.

Een grauwe naamloze collectiviteit.

Yep!

De piano moet worden gestemd, en de stemmer mag de niet-essentiële verplaatsing naar mijn huis niet maken. Wil ik eenzaam stikken op de gang van een hospitaal, in het besef dat er thuis een keurig gestemde piano staat? Het kost moeite, steeds meer, om mezelf aan de eigenlijke reden van deze opsluiting te herinneren.

Zou het helpen wanneer ik in de tuin een paar schunnige woorden riep, bij voorkeur in het Aalsters, en dermate luid dat de duiven uit de kruinen vallen? Zo kan ik bijvoorbeeld erg goed 'hoer' roepen, zoals iedereen weet die ooit naast mij in de auto heeft gezeten.

Het kost moeite, steeds meer, om mezelf aan de eigenlijke reden van deze opsluiting te herinneren.

Ik doe het nu in mijn slaap, naar het schijnt, want zelf weet ik daar 's ochtends niets meer van. Maar ik zou het al een paar nachten lelijk hebben uitgekrijst. Niet het woord 'hoer', doch andere dingen. Waarna ik met opengesperde ogen en een angstige tronie rechtop in bed zit, zweetspetters op mijn voorhoofd, een bergbeek in de reet.

Overdag heerst vooral de sentimentaliteit, en ga ik schuilen voor mijn huilbuien aan mijn schrijfklavier.

Ik denk dat ik mijn regels heb.

Van mijn eerste veertig levensjaren bezit ik maar twintig foto's, die ik net zo goed niet zou kunnen bezitten omdat ik ze nooit bekijk. Maar afgelopen week heb ik er wel vijf keer naar gekeken.

Meer dan meligheid alleen boetseert mijn woorden wanneer ik met mijn geliefde spreek. Nimmer heb ik zo vaak en zo uitdrukkelijk uitgesproken hoe graag ik haar zie. Zeker, we zijn opgesloten, maar het is geen straf met haar. Ik vind het indrukwekkend hoe goed wij het stellen met elkaar en ik laaf mij aan dit onverdiende geluk tot er niets meer bij kan en een nieuwe huilbui plaats moet maken voor nog méér.

Wanneer ik later aan het coronaceen zal terugdenken, zal liefde het eerste zijn wat in me opkomt.

Vaak gestelde vraag in huis: 'Welke dag is het vandaag?' Niet dat het antwoord van enig belang zou zijn, alle dagen zijn on-dagen, maar door ons te kunnen oriënteren in de tijd schenken wij onszelf nog een beetje houvast aan de werkelijkheid. Of we maken onszelf dat gaarne wijs. Als ik me niet vergis stellen ze die vraag ook aan iedereen die mogelijks dementerend is. Wie verloren loopt op het kalendervel, die gaat eraan. Ik ben ook de tel kwijt als het erop aankomt te zeggen hoelang precies wij al geconfineerd zijn. Ik zou het kunnen opzoeken, het staat vast wel in de krant, maar de lust ontbreekt me. Wat moet ik er ook mee, mij te voelen als een gevangene die dagelijks, meteen na het ontwaken, streepjes krast in de kalk van zijn celmuur? Als ik dat zou wensen zou ik kunnen aftellen, eindelijk. De regering heeft ons immers een strohalmpje hoop geboden. De dag waarop we onze straat mogen verlaten. De dag waarop we, godbetert, gemondmaskerd mogen rondhuppen, en wel in een straal van 100 kilometer rondom ons huis. Tenminste als we in een tamelijk gezond verklaarde zone wonen. Op die informatie is het nog een hele week wachten. Neen, ik begin er niet aan, aan dat aftellen, en moet me pantseren tegen een opdoffer. Het regent al een eeuwigheid onverdroten, zoals het ook vorige winter maar bleef regenen. Regen, regen, regen. In feite regent het meer dan het in het boek Abel Gholaerts van Louis Paul Boon deed; een roman waarvan volgens Bernard Kemp 'een grauwe naamloze collectiviteit' het eigenlijke hoofdpersonage is. Ik herinner mij dat ik dat boek destijds bijna onder een paraplu ging zitten lezen, en dat ik klaar was voor een vijfgangenmaal van louter antidepressiva, toen ik het uit had. Een grauwe naamloze collectiviteit. Yep! De piano moet worden gestemd, en de stemmer mag de niet-essentiële verplaatsing naar mijn huis niet maken. Wil ik eenzaam stikken op de gang van een hospitaal, in het besef dat er thuis een keurig gestemde piano staat? Het kost moeite, steeds meer, om mezelf aan de eigenlijke reden van deze opsluiting te herinneren. Zou het helpen wanneer ik in de tuin een paar schunnige woorden riep, bij voorkeur in het Aalsters, en dermate luid dat de duiven uit de kruinen vallen? Zo kan ik bijvoorbeeld erg goed 'hoer' roepen, zoals iedereen weet die ooit naast mij in de auto heeft gezeten. Ik doe het nu in mijn slaap, naar het schijnt, want zelf weet ik daar 's ochtends niets meer van. Maar ik zou het al een paar nachten lelijk hebben uitgekrijst. Niet het woord 'hoer', doch andere dingen. Waarna ik met opengesperde ogen en een angstige tronie rechtop in bed zit, zweetspetters op mijn voorhoofd, een bergbeek in de reet. Overdag heerst vooral de sentimentaliteit, en ga ik schuilen voor mijn huilbuien aan mijn schrijfklavier. Ik denk dat ik mijn regels heb. Van mijn eerste veertig levensjaren bezit ik maar twintig foto's, die ik net zo goed niet zou kunnen bezitten omdat ik ze nooit bekijk. Maar afgelopen week heb ik er wel vijf keer naar gekeken. Meer dan meligheid alleen boetseert mijn woorden wanneer ik met mijn geliefde spreek. Nimmer heb ik zo vaak en zo uitdrukkelijk uitgesproken hoe graag ik haar zie. Zeker, we zijn opgesloten, maar het is geen straf met haar. Ik vind het indrukwekkend hoe goed wij het stellen met elkaar en ik laaf mij aan dit onverdiende geluk tot er niets meer bij kan en een nieuwe huilbui plaats moet maken voor nog méér. Wanneer ik later aan het coronaceen zal terugdenken, zal liefde het eerste zijn wat in me opkomt.