Het kon beginnen, mijn leven. Ik was vlotjes afgestudeerd, had mijn eerste job te pakken én zou alleen gaan wonen. Net zoals mijn oudere broer stond ik te springen om mijn eigen weg te gaan. Ik was nog jong, maar mijn ouders steunden me volledig in mijn beslissing. Ze zagen hun kinderen graag op eigen benen staan.
...

Het kon beginnen, mijn leven. Ik was vlotjes afgestudeerd, had mijn eerste job te pakken én zou alleen gaan wonen. Net zoals mijn oudere broer stond ik te springen om mijn eigen weg te gaan. Ik was nog jong, maar mijn ouders steunden me volledig in mijn beslissing. Ze zagen hun kinderen graag op eigen benen staan. Ik was net verhuisd toen mijn vader ziek werd. Pancreaskanker, met weinig kans op genezing. De kankercellen zaten al maandenlang in zijn lijf zonder dat hij er iets van gemerkt had. Na een operatie en bestraling is hij heel even kankervrij verklaard, waardoor we allemaal weer hoop kregen. Tot de artsen twee weken later op de scans zagen dat de tumor uitgezaaid was. Mijn vader was 56 jaar. Een jaar na de diagnose hebben we hem begraven. Mijn moeder was er kapot van. Mijn vader was haar eerste lief. Ze waren altijd samen geweest, en nu moest ze verder zonder hem. Dat viel haar zwaar. Ze was onzeker na zijn dood, dat wisten we. Mijn moeder leed aan MS, waardoor ze niet meer kon gaan werken. Ze was altijd thuis, terwijl mijn broer en ik het huis al uit waren. We gingen zoveel mogelijk bij haar langs, 's avonds en in het weekend. Er waren weinig dagen dat mama géén bezoek kreeg. Toch had ze het gevoel dat ze alleen was. Een jaar nadat papa overleden was, is ze uit het leven gestapt. Haar dood was een klap. Toen mijn man mij het nieuws thuis kwam vertellen, ben ik hysterisch geworden. Denk ik, want van sommige momenten weet ik niets meer. Ik zat in een soort roes, alles was zo onwezenlijk. In enkele seconden tijd ben je een kind zonder ouders. Dat is onmogelijk te beschrijven of te bevatten. Een paar dagen na haar overlijden zaten mijn broer en ik op een bankje aan het huis van mama en papa, stil naast elkaar. 'Ik ben een wees', zei ik. Ik kon het zelf bijna niet kon geloven. Ik was 23 jaar. Je bent volwassen, maar tegelijkertijd ook nog een kind. In plaats van een onbezorgd leven te leiden, moest ik begrafenissen en erfenissen regelen. Gedaan met de pret, zo voelde het. Ik ben heel lang heel kwaad geweest op mama. Hoe kon ze zoiets doen? Mijn man en ik waren verloofd. Ze wist dat we gingen trouwen, dat er kleinkinderen zouden komen. Er was zoveel om naar uit te kijken. Ze was erbij toen ik mijn trouwjurk ben gaan kiezen. Ik ben blij dat ze dat toch nog gezien heeft. De boosheid is intussen verdwenen, het gemis is eens zo hard. Ik zeg altijd dat mama gestorven is van verdriet. Dat klinkt minder hard dan zelfdoding, zeker naar de buitenwereld toe. Acht maanden na de dood van mama zijn mijn man en ik getrouwd. Natuurlijk was ik gelukkig, dat wílde ik ook zijn. Maar op zoveel momenten tijdens die dag denk je aan die lege plekken. In de kerk, aan de feesttafel, op de dansvloer. Het is wel honderd keer door mijn hoofd geflitst: ze zijn er niet. Toen ik twee jaar geleden bevallen ben van ons zoontje Jules is iedereen op bezoek geweest, behalve mijn ouders. Op hun graf ben ik een geplastificeerd geboortekaartje en een leeg doosje suikerbonen gaan zetten. Ik ga vaak naar het kerkhof, bijna wekelijks. Het liefst alleen. Als er niemand in de buurt is, sta ik honderduit te ratelen tegen het graf van mama en papa. Er komt nooit antwoord, en toch geeft het me troost. Af en toe neem ik Jules mee, om hem aan mijn ouders te tonen. Dat klinkt stom, maar als je niets anders hebt dan een steen met twee foto's erop, dan doe je dat. Het is moeilijk om te praten over wat ik voel. Het is voor anderen moeilijk om mijn verdriet te begrijpen. Ik ken niemand die hetzelfde meegemaakt heeft als ik. Alleen mijn broer, maar hij is geen prater. Hij verwerkt de dingen op zijn manier. De enige met wie ik echt kan praten, is mijn beste vriendin. Haar ouders waren goede vrienden van mijn ouders, we waren kind aan huis in elkaars gezin. Bij haar kan ik herinneringen ophalen. Soms kan ik beter bij haar terecht dan bij mijn man. Hij heeft mijn ouders niet zo goed gekend. We waren amper een halfjaar samen toen mijn vader stierf. Mijn moeder heeft hij alleen maar verdrietig gezien, niet zoals ze echt was. Het verlies van mijn ouders is een zware beproeving geweest voor onze relatie, maar we zijn er - met vallen en opstaan - gewoon door gestormd. Als je zoiets als pril koppel overleeft, dan weet je het wel. Mijn man en ik wonen in het huis van mijn ouders. Het heeft een jaar geduurd voor ik het heb kunnen leegmaken. Een groot stuk van de inboedel heb ik verkocht of weggedaan. Op zolder staan alle spullen die ik wil bijhouden. De collectie strips van mijn vader, de breimachine van mijn moeder, een beeldje dat altijd in de keuken heeft gestaan. Een lelijk beeldje, maar ik kan het niet wegdoen. Mijn man en ik hebben het huis zwaar verbouwd. Ik wilde hier graag wonen, maar het moest anders zijn. We hebben er onze thuis van gemaakt, voor ons gezin. Ik houd van deze plek, en van dit dorp. Hier voel ik me verbonden met mijn ouders. Laat mij maar onder de kerktoren blijven, ik hoef niet ver weg te lopen. Ik zie mijn ouders nog altijd graag, ook al zijn ze er niet meer. Ik droom veel over hen. Die dromen lijken soms zo levensecht dat ik 's morgens echt in de war ben. Hun foto's staan in de woonkamer op de kast. Ik sta er vaak naar te kijken. Soms met een lach, soms met een traan. Elke dag heb ik zoveel vragen die ik hun zou willen stellen. Hoe vond mijn moeder het om zwanger te zijn? Wat zou mijn vader vinden van mijn job? Ik zoek naar verbondenheid en gelijkenissen. Op feestdagen dek ik de tafel zoals mama dat vroeger deed. Ze was heel creatief, dus probeer ik zelf ook te knutselen. Meer dan vroeger zoek ik familie op. Mijn moeder had met verscheidene familieleden gebroken, zelfs met haar ouders. Ik probeer voorzichtig het contact te herstellen. Ik weet niet wat er vroeger allemaal gebeurd is, en ik hoef het ook niet te weten. Ik wil gewoon familie rond mij. De dood van mijn ouders heeft me in een razend tempo volwassen gemaakt. Ik ben nog maar 28, maar doe alles alleen. Ju en vooruit, zeiden mijn ouders altijd. Ze hebben ons al vroeg geleerd om onze plan te trekken. Daar ben ik vandaag heel blij om. Ik los het wel alleen op, denk ik vaak. Misschien té vaak. Ik heb nooit hulp gezocht bij een psycholoog of bij lotgenoten, omdat ik dacht dat ik er zelf wel uit zou geraken. Maar op sommige dagen zijn de emoties zo sterk dat ik niet goed weet wat ik ermee moet doen. Op vaderdag, moederdag of hun verjaardag deel ik een berichtje over mijn ouders op Facebook. Ik wil dat iedereen ziet dat ik aan hen denk. Mensen vergeten zo snel, of durven er niets over te vragen. Maar ik wíl over mijn ouders praten. Ik wil kunnen vertellen over mijn vader die stond te dansen achter de barbecue, of dat liedje dat mijn moeder zo graag hoorde. Ik wil niet klagen en zagen, daar heeft niemand iets aan. Ik wil hen op een positieve manier in leven houden. Ik mis mijn ouders elke dag, op de meest stomme momenten. Als er een klusje in huis moet gebeuren waarvoor ik mijn papa zou bellen. Wanneer ik met griep op de zetel lig en verlang naar mijn mama die een pot soep brengt. Als mijn zoontje op school nieuwsjaarbrieven moet schrijven voor zijn grootouders. Dan kan ik soms echt kwaad worden. Mijn ouders zouden hier nog moeten zijn, verdomme. Ze hadden nog zoveel moeten meemaken. Ik heb het verlies van mijn ouders een plaats gegeven, maar ik heb er geen vrede mee. Het zijn messteken, elke dag opnieuw. Toch blijf ik lachen. Ik ben nog altijd dezelfde zotte Lien als vroeger, alleen met een litteken. Twee littekens.