Hoe het met mij gaat, vraagt de dokter. Die vraag vind ik moeilijk. Ik weet dat zelf niet altijd goed. Bovendien heb je het lange antwoord en het korte. Het lange geef je best niet in situaties waar ze het korte verwachten. In de supermarkt bijvoorbeeld, als je een bekende tegenkomt - ça va? - ter hoogte van de soepgroenten.
...

Hoe het met mij gaat, vraagt de dokter. Die vraag vind ik moeilijk. Ik weet dat zelf niet altijd goed. Bovendien heb je het lange antwoord en het korte. Het lange geef je best niet in situaties waar ze het korte verwachten. In de supermarkt bijvoorbeeld, als je een bekende tegenkomt - ça va? - ter hoogte van de soepgroenten. De dokter is zo jong dat de gedachte aan doktertje spelen onontkoombaar in mij opkomt. Dat doet mij neigen naar het korte antwoord. Ik zeg niet dat ik de medemens soms moe ben, bijvoorbeeld als die loeihard optrekt met zijn motorfiets. Ik zeg niet dat ik de zin 'wij kopen onze groenten bij de lokale plukboer' al bijna even onuitstaanbaar vind. Ik zeg niet dat ik verlang naar een huisje op de hei en naar een lange strandvakantie. Ik zeg niet dat ik onlangs tranen in de ogen kreeg toen ik, niet ver van café de Roos, een mama haar zoontje zag troosten. Ik zeg niet dat ik troostende mama's het mooiste op aarde vind. Wel zeg ik dat ik last heb van een krakende enkel. Dat lijkt mij tastbaar voor de jonge dokter. Misschien zelfs te bekampen. Als ik het kabinet verlaat, voel ik mij al een stuk gezonder. Dat heb ik altijd als ik heelhuids wegraak uit de medische sector. Aan de ingang van ziekenhuizen word je dan nagestaard door lichtschuwe wezens met baxters op statieven. Ze roken sigaretten, ondanks de waarschuwingen op het pakje. Ik ben dan opgelucht dat ik korenbloemen kan gaan plukken in de velden. Velden zijn echter in geen velden of wegen te bekennen. Op de terugweg stop ik dan maar even bij de bakker. Daar koop ik een koalabrood, omdat die naam mij altijd vijf minuten vrolijk maakt. Misschien zou ik vrolijk blijven mocht ik elke dag zeven koalabroden kopen en aan de dieren in het park gaan voederen. Meestal hangt daar echter een pretbederver, in de vorm van een bordje waarop staat dat je de dieren niet mag voederen. Leuke dingen die worden aangemoedigd, daar moet ik het eerste nog van tegenkomen. In de straat van de bakker staat het appartementsgebouw waar wij woonden, in de tijd dat de wereld nog een min of meer samenhangende plek was. Ik werp een blik op de namen naast de bellen. Naast ons nummer 132 staan nu andere namen, met een vanzelfsprekendheid die tergend valt te noemen. Naast 136 staat wel nog altijd D. Verspeelt, hoewel mijn buurvrouw van 86 intussen al een jaar de pijp uit is. Ondanks haar naam, was ze niet het speelse type. Ze was doctor in de rechten, bleef ongehuwd en had de neiging elke man een smeerlap of een slippendrager te noemen. Wellicht was het daarom dat ik haar mocht. En ook omdat ik haar in een etablissement aan het station met zichtbaar genoegen van een Duvel zag nippen. Een zonnestraal veranderde het koolzuur in haar glas in vreemde galaxieën. In de straat trekt een motorfiets loeihard op. Iemand zwaait naar mij op Messenger. Ik denk aan pinguïns op de Zuidpool en aan mijn dochter van zes die op school zit. 'Als ik dit niet was,' zei ze onlangs, 'dan zou ik het liefst een mooi paard met witte manen zijn.' Ik was blij dat zij zichzelf toch nog leuker vond.