In deze bijzondere tijden denk ik vaker dan men verwachten zou en vol medelijden aan de hertog en de hertogin van Rohan, net als iedereen aan de ketting gelegd, opgehokt in hun kot, in hun geval: een 16de-eeuws kasteeltje. Al hun meubels staan verspreid over 25.000 vierkante meter, en als ze nood hebben aan een streep uv, dan hebben ze nog altijd 4 hectare tuin om in te ravotten.

Neen, het is niet het juiste moment om stinkend rijk te zijn. Want daar zitten ze nu, zonder personeel. De hertogin, die nogal hertoginnerig Antoinette heet, staat voor het eerst in haar leven achter het fornuis, puree in een spuitzak te proppen. Alle dagen pomme duchesse. Uiteraard. Omdat ze zo'n driehonderd ramen heeft te lappen brengt ze tegenwoordig veel tijd door gebogen boven de gebruiksaanwijzing voor een trapladder. En haar man, een gewezen senator van 82, zit de hele lockdown lang op zijn gammele knieën onkruid te trekken.

Het kan lelijk koud zijn in zo'n kasteel. 's Avonds steken ze de haard aan, kijken naar de zwaarden en de hertenkoppen aan de muur, en dromen van een beter leven in de banlieue. Ze openen hun notebook, schuimen vastgoedsites af. Sorteren op: goedkoopste eerst.

Het bezit van een tuin leek in het begin van de lockdown een dikke plus, en dat was het aanvankelijk ook, zeker in een land waar je op de bon geslingerd wordt wanneer je de eigen straat hebt verlaten. Ondertussen ben ik geneigd te zeggen dat het bezit van een tuin tje het leed wat draaglijker kan maken.

Ik wil een nieuwe lockdown, desnoods een nog strengere, waarin ik het veel beter zal doen.

Het ding is namelijk dat we allemaal de verkeerde zaken hebben gehamsterd. De hertog en de hertogin hebben dan wel de hele donjon vol wc-papier gestouwd, maar ze hebben er niet aan gedacht motorolie in te slaan.

Net zo min als ik. Grasmaaien, ik blijf erbij, het is een intellectuele bezigheid, maar als de olie op is moet je de koe van de buur lenen. Eerlijk gezegd, ik overweeg het. Weliswaar doen we het met minder dan 4 hectare, maar als we nog lang verstoken blijven van motorolie, kunnen de tijgers en de orang-oetans hier hun intrek nemen. Wij wonen niet langer op het platteland. Wij wonen in de wildernis. In totale machteloosheid kijken wij de verrimboe-isering van de gaarde aan. (Leuk werkwoord, overigens.)

Geef mij een geit en ik zal gelukkig zijn, zeg ik zo vrij naar Richard Drei.

We hadden alles zo goed voor elkaar, dachten we. Mijn geliefde had zich op de groentetuin gesmeten met een fanatisme dat zelfs in de Noord-Koreaanse geschiedenis zijn gelijke niet kent. Wij zouden overleven als we compleet van de wereld werden afgesneden. Aardappelen, radijzen, meloenen, tomaten, wortelen, courgettes... Noem het, en zij heeft het in de grond gestopt. Een halve kolchoz zou het hier worden, alles in het teken van de zelfredzaamheid.

Maar de slakken hebben alles kaalgevreten. Enfin, toch de groenten. Het gras en het onkruid lieten ze natuurlijk staan.

Uit rancune zetten we weldra drie keer per week escargots op tafel. Rijk aan proteïne en mineralen en zo goed als zonder vet. Glaasje droge witte en een kloeft van een teen knoflook erbij. En smullen maar. Het hele slakkenbestand moet in de pot. Wat denken ze wel, te kunnen lachen met de noeste boerenarbeid van mijn hertogin? Stelletje slijmslingers!

Ik wil een nieuwe lockdown, desnoods een nog strengere, waarin ik het veel beter zal doen. En dan zal ik motorolie hebben. Een hele garage vol. En dertigduizend tubes verf. En vier lakenhallen vol aan schildersdoek. Nu is het nogal zinloos, ergens zin in te hebben.

In deze bijzondere tijden denk ik vaker dan men verwachten zou en vol medelijden aan de hertog en de hertogin van Rohan, net als iedereen aan de ketting gelegd, opgehokt in hun kot, in hun geval: een 16de-eeuws kasteeltje. Al hun meubels staan verspreid over 25.000 vierkante meter, en als ze nood hebben aan een streep uv, dan hebben ze nog altijd 4 hectare tuin om in te ravotten. Neen, het is niet het juiste moment om stinkend rijk te zijn. Want daar zitten ze nu, zonder personeel. De hertogin, die nogal hertoginnerig Antoinette heet, staat voor het eerst in haar leven achter het fornuis, puree in een spuitzak te proppen. Alle dagen pomme duchesse. Uiteraard. Omdat ze zo'n driehonderd ramen heeft te lappen brengt ze tegenwoordig veel tijd door gebogen boven de gebruiksaanwijzing voor een trapladder. En haar man, een gewezen senator van 82, zit de hele lockdown lang op zijn gammele knieën onkruid te trekken. Het kan lelijk koud zijn in zo'n kasteel. 's Avonds steken ze de haard aan, kijken naar de zwaarden en de hertenkoppen aan de muur, en dromen van een beter leven in de banlieue. Ze openen hun notebook, schuimen vastgoedsites af. Sorteren op: goedkoopste eerst. Het bezit van een tuin leek in het begin van de lockdown een dikke plus, en dat was het aanvankelijk ook, zeker in een land waar je op de bon geslingerd wordt wanneer je de eigen straat hebt verlaten. Ondertussen ben ik geneigd te zeggen dat het bezit van een tuin tje het leed wat draaglijker kan maken. Het ding is namelijk dat we allemaal de verkeerde zaken hebben gehamsterd. De hertog en de hertogin hebben dan wel de hele donjon vol wc-papier gestouwd, maar ze hebben er niet aan gedacht motorolie in te slaan. Net zo min als ik. Grasmaaien, ik blijf erbij, het is een intellectuele bezigheid, maar als de olie op is moet je de koe van de buur lenen. Eerlijk gezegd, ik overweeg het. Weliswaar doen we het met minder dan 4 hectare, maar als we nog lang verstoken blijven van motorolie, kunnen de tijgers en de orang-oetans hier hun intrek nemen. Wij wonen niet langer op het platteland. Wij wonen in de wildernis. In totale machteloosheid kijken wij de verrimboe-isering van de gaarde aan. (Leuk werkwoord, overigens.) Geef mij een geit en ik zal gelukkig zijn, zeg ik zo vrij naar Richard Drei. We hadden alles zo goed voor elkaar, dachten we. Mijn geliefde had zich op de groentetuin gesmeten met een fanatisme dat zelfs in de Noord-Koreaanse geschiedenis zijn gelijke niet kent. Wij zouden overleven als we compleet van de wereld werden afgesneden. Aardappelen, radijzen, meloenen, tomaten, wortelen, courgettes... Noem het, en zij heeft het in de grond gestopt. Een halve kolchoz zou het hier worden, alles in het teken van de zelfredzaamheid. Maar de slakken hebben alles kaalgevreten. Enfin, toch de groenten. Het gras en het onkruid lieten ze natuurlijk staan. Uit rancune zetten we weldra drie keer per week escargots op tafel. Rijk aan proteïne en mineralen en zo goed als zonder vet. Glaasje droge witte en een kloeft van een teen knoflook erbij. En smullen maar. Het hele slakkenbestand moet in de pot. Wat denken ze wel, te kunnen lachen met de noeste boerenarbeid van mijn hertogin? Stelletje slijmslingers! Ik wil een nieuwe lockdown, desnoods een nog strengere, waarin ik het veel beter zal doen. En dan zal ik motorolie hebben. Een hele garage vol. En dertigduizend tubes verf. En vier lakenhallen vol aan schildersdoek. Nu is het nogal zinloos, ergens zin in te hebben.