Zelfs als baby is het mij nooit overkomen dat ik langer dan 13 weken uit de kroegen bleef. Daar zal de jeugdbescherming natuurlijk wel van alles op aan te merken hebben, en er is daar in mijn geval ook veel op aangemerkt geweest, maar het is ruim te laat: de kroeg is niet meer uit mij te halen. Zij is mijn kleine bijmaan, ik kan niet zonder. Hoe stom de praatjes er ook durven te zijn, hoe populistisch en goedkoop, ik lees de wereld beter op café dan in mijn zetel. Want die pech heb ik natuurlijk wel, zo'n café Flore heb ik nog nooit als stamkroeg mogen hebben. Het geluk om het met een Joseph Roth en een Albert Camus op een intellectueel verantwoord zuipen te zetten, is niet voor mij weggelegd. Ik plak steviger aan volksere togen waar de wereld niet wordt verbeterd. Ik mag verlangen zo hard ik wil dat Juliette Gréco bij mij een sigaret komt schooien, het zal niet gebeuren. Noch zal ik aan Jean-Paul Sarte zijn amfetaminepillen zitten. Het blijft bij biljarten. Op dagen van genade kan ik er over politiek praten, altijd heerlijk wat mij betreft, de ware Tweede Kamer van elke regering is de kroeg. En als het helemaal meezit heb ik een nieuw muzikaal meesterwerkje leren kennen.

Ik had mij aan een bacchanaal verwacht toen mijn vaste bar weer openging, maar er zat niemand.

Het café, het mooiste convergentiepunt op aarde voor verhalen. Ik kom ze daar met graagte van de tafels schrapen.

Ik had mij aan een bacchanaal verwacht toen mijn vaste bar tabac weer openging, verheugde mij op een weerzien met de vaste pastisdrinkers van wie ik de smerige haren en de rottende tanden had gemist. Maar er zat amper iemand. Weg was de tinnitus van schaterlach, weg de hartelijkheid. Natuurlijk, de kwintessens van de kroeg is ons ontnomen. De toevallige ontmoeting kan niet bloeien met al die afstand tussen de tafels. Er zijn geen aanrakingen mogelijk. Men vreest het speeksel van de man die al te luid zijn slechtste moppen lalt. Na twee cafés crêmes hield ik het voor bekeken en ben ik naar huis gegaan. Ziedaar het moment waar weken naar was uitgekeken. Daags nadien ondernam ik een tweede, en betere poging, in de zin dat ik dit keer witte wijn bestelde. Ik was vergeten hoe slecht die wijn in onze bar tabac kon zijn. Een schande eigenlijk. Ze hadden van dit vocht veel beter handgel gemaakt.

Wat mij nooit eerder is gelukt, één glas drinken en dan meteen naar huis, ging me nu met het grootste gemak van de wereld af. Dit was geen kroeg. Het was zelfs geen vage herinnering aan een kroeg. De cafetaria van het ziekenhuis is sfeervoller.

Dit was geen kroeg. Het was zelfs geen vage herinnering aan een kroeg. De cafetaria van het ziekenhuis is sfeervoller.

Of het ermee te maken heeft, geen idee, maar ik heb daarna twee dagen in bed gelegen. Volkomen futloos. De thermometer sprak me tegen, 35.5°C, doch ik voelde me koortsig. Mijn spieren deden pijn, ze doen nog steeds pijn, en zoals ik in elke puist altijd al een gezwel heb gezien, zo is mijn hypochondrie nu uitgebreid met een nieuwe vrees. Alles wat van ver of dichtbij naar griep neigt wordt ineens mijn potentiële levenseind. Ook al loop ik niet te hoesten en verkeer ik niet in ademnood, toch weet ik spoedig in een coma te liggen, een paar regenpijpen in mijn keel geramd. Ik zal smerig dromen onderwijl, en uit elkander vallen van verlangen naar de vrouw die het niet zal worden toegestaan mij zachtjes toe te spreken in mijn allerdiepste slaap. En uiteraard zal ik het allemaal niet overleven. Als je hypochondert, moet je het meteen goed doen.

Dus, met uw goedvinden, hou ik het hier voor bekeken. Ik moet weer mijn bed in.

Zelfs als baby is het mij nooit overkomen dat ik langer dan 13 weken uit de kroegen bleef. Daar zal de jeugdbescherming natuurlijk wel van alles op aan te merken hebben, en er is daar in mijn geval ook veel op aangemerkt geweest, maar het is ruim te laat: de kroeg is niet meer uit mij te halen. Zij is mijn kleine bijmaan, ik kan niet zonder. Hoe stom de praatjes er ook durven te zijn, hoe populistisch en goedkoop, ik lees de wereld beter op café dan in mijn zetel. Want die pech heb ik natuurlijk wel, zo'n café Flore heb ik nog nooit als stamkroeg mogen hebben. Het geluk om het met een Joseph Roth en een Albert Camus op een intellectueel verantwoord zuipen te zetten, is niet voor mij weggelegd. Ik plak steviger aan volksere togen waar de wereld niet wordt verbeterd. Ik mag verlangen zo hard ik wil dat Juliette Gréco bij mij een sigaret komt schooien, het zal niet gebeuren. Noch zal ik aan Jean-Paul Sarte zijn amfetaminepillen zitten. Het blijft bij biljarten. Op dagen van genade kan ik er over politiek praten, altijd heerlijk wat mij betreft, de ware Tweede Kamer van elke regering is de kroeg. En als het helemaal meezit heb ik een nieuw muzikaal meesterwerkje leren kennen. Het café, het mooiste convergentiepunt op aarde voor verhalen. Ik kom ze daar met graagte van de tafels schrapen. Ik had mij aan een bacchanaal verwacht toen mijn vaste bar tabac weer openging, verheugde mij op een weerzien met de vaste pastisdrinkers van wie ik de smerige haren en de rottende tanden had gemist. Maar er zat amper iemand. Weg was de tinnitus van schaterlach, weg de hartelijkheid. Natuurlijk, de kwintessens van de kroeg is ons ontnomen. De toevallige ontmoeting kan niet bloeien met al die afstand tussen de tafels. Er zijn geen aanrakingen mogelijk. Men vreest het speeksel van de man die al te luid zijn slechtste moppen lalt. Na twee cafés crêmes hield ik het voor bekeken en ben ik naar huis gegaan. Ziedaar het moment waar weken naar was uitgekeken. Daags nadien ondernam ik een tweede, en betere poging, in de zin dat ik dit keer witte wijn bestelde. Ik was vergeten hoe slecht die wijn in onze bar tabac kon zijn. Een schande eigenlijk. Ze hadden van dit vocht veel beter handgel gemaakt. Wat mij nooit eerder is gelukt, één glas drinken en dan meteen naar huis, ging me nu met het grootste gemak van de wereld af. Dit was geen kroeg. Het was zelfs geen vage herinnering aan een kroeg. De cafetaria van het ziekenhuis is sfeervoller. Of het ermee te maken heeft, geen idee, maar ik heb daarna twee dagen in bed gelegen. Volkomen futloos. De thermometer sprak me tegen, 35.5°C, doch ik voelde me koortsig. Mijn spieren deden pijn, ze doen nog steeds pijn, en zoals ik in elke puist altijd al een gezwel heb gezien, zo is mijn hypochondrie nu uitgebreid met een nieuwe vrees. Alles wat van ver of dichtbij naar griep neigt wordt ineens mijn potentiële levenseind. Ook al loop ik niet te hoesten en verkeer ik niet in ademnood, toch weet ik spoedig in een coma te liggen, een paar regenpijpen in mijn keel geramd. Ik zal smerig dromen onderwijl, en uit elkander vallen van verlangen naar de vrouw die het niet zal worden toegestaan mij zachtjes toe te spreken in mijn allerdiepste slaap. En uiteraard zal ik het allemaal niet overleven. Als je hypochondert, moet je het meteen goed doen. Dus, met uw goedvinden, hou ik het hier voor bekeken. Ik moet weer mijn bed in.