Op de radio zegt iemand dat concerten met bewegend publiek afgelast zullen worden. Bewegend publiek vind ik grappig. Ik stel mij een concert voor met een onbewogen publiek dat roerloos naar het podium zit te staren.
...

Op de radio zegt iemand dat concerten met bewegend publiek afgelast zullen worden. Bewegend publiek vind ik grappig. Ik stel mij een concert voor met een onbewogen publiek dat roerloos naar het podium zit te staren. 'Jij had voorspeld dat dit zou gebeuren', zei een collega die ik vijftien jaar ken. 'De eerste keer dat ik jou ontmoette, sprak je al over de pokken en over de mogelijkheid van een nieuwe pandemie in de toekomst. Wij moesten daar toen om lachen. Ik geloof zelfs dat we met onze ogen rolden.' Dat herinner ik mij niet meer, maar het klinkt wel als iets dat ik gezegd kan hebben. Ik zeg ook al jaren - de laatste tijd begin ik het zelf te geloven - dat we afstevenen op verschrikkingen die de Tweede Wereldoorlog kinderspel doen lijken. Soms krijg je dan woorden opgeplakt als doemdenker. Dat vind ik prima. Het voordeel van doemdenken is dat je altijd wint: als het uitkomt, krijg je gelijk en als het niet uitkomt, ben je blij omdat je geen gelijk hebt gekregen. Ik hoop dat ik nu geen gelijk krijg. Hoe beklemmender de wereld wordt, hoe meer nood ik voel aan lichtvoetigheid en zon. Ik zoek die in liedjes waarin mannen onderweg zijn naar the sweetest girl in the world. Ik zoek ze in recepten met gehaktballen en in oude stripverhalen van Nero. Ze dragen heerlijk simpele titels zoals Pol De Pijpegeest en De negen peperbollen. Altijd loopt het goed af en aan het einde van elk verhaal worden wafelen gebakken. Mijn dochters en ik houden van wafels. We bakken die in de keuken met behulp van een wonder dat zelfrijzend bakmeel genoemd wordt. We bestrooien ze met een koker waarop staat: 'Bloemsuikermolen - ideaal voor perfecte bestrooiing'. Bloemsuikermolen vind ik een leuk woord. Je mag nooit de hoop laten varen op perfecte bestrooiing. Achteraf blijven we lang natafelen. Oudste dochter speelt met een vintage briquet van Ronson die ik gerepareerd heb. Zij vindt die opeens erg rock-'n-roll. 'Ze denken dat ze stoer zijn', zegt ze over jongens op haar school die pronken met hun wegwerpaansteker. 'Maar eigenlijk hebben ze nog niets gezien.' Ik hou van de wereldwijsheid van meisjes van veertien. Ze moeten er nog achter komen dat je het leven nooit echt onder de knie hebt. 'Na de dalende lijn komt die wondermooie hoornsolo', doet een kenner op de radio lyrisch over De vuurvogel van Stravinsky. Vervolgens gaat het over een tentoonstelling over honderdvijftig jaar consumeren die in mijn stad zal plaatsvinden. Er is onder meer een winkeltje nagebouwd uit de jaren 1960. Vroeger consumeerde ik graag en gretig, maar nu vind ik schoonheid en liefde belangrijker. 'Over liefde gesproken', stuurt mij later op de dag een vrouw die ik ken vanuit de verte: 'Ben jij intussen nog sprookjesfiguren tegen het lijf gelopen?' We hebben elkaar nooit ontmoet, maar wisselen via Instagram soms van gedachten. Het gaat dan over de tocht van het hart en over tattoos die we niet zullen zetten. 'Het blijft uitkijken in de sprookjeswereld', antwoord ik. 'Niets is wat het lijkt en een fee kan zich nog altijd als vermomde heks ontpoppen.' 'Dat gevaar bestaat', zegt ze nuchter. 'Als de toverdrank is uitgewerkt.'