Eén geweldig voordeel aan deze zomer vol beperkingen: ik had geen last van fear of missing out. De meeste mensen zaten gewoon thuis op hun terras, hun Aperol Spritz te fotograferen. Sommigen maakten weleens een daguitstap naar Lier of huurden een weekend een cabin in een Limburgs natuurgebied, maar ik kreeg niet het gevoel dat ik per se met hen van leven wilde ruilen. Dagtrips deed ik zelf ook, en een collega die zo'n cabin eens had uitgetest zei dat je er niet in je onderbroek kon rondlopen zonder dat passerende wandelaars je met hun verrekijker in het vizier kregen.
...

Eén geweldig voordeel aan deze zomer vol beperkingen: ik had geen last van fear of missing out. De meeste mensen zaten gewoon thuis op hun terras, hun Aperol Spritz te fotograferen. Sommigen maakten weleens een daguitstap naar Lier of huurden een weekend een cabin in een Limburgs natuurgebied, maar ik kreeg niet het gevoel dat ik per se met hen van leven wilde ruilen. Dagtrips deed ik zelf ook, en een collega die zo'n cabin eens had uitgetest zei dat je er niet in je onderbroek kon rondlopen zonder dat passerende wandelaars je met hun verrekijker in het vizier kregen. Iedereen een congé zonder uitschieters, het idee verschafte me een weldadige rust. In mij stond een Dirk De Wachter op, iemand die predikt dat reizen nergens voor nodig is en het gewone gekoesterd moet worden. Ik boekte een paar dagen Wallonië, maakte er lange wandelingen, sprak hardop tegen een schaap in een vallei en besloot tevreden dat het allemaal 'net buitenland leek'. 'Stel je voor dat we nu nagelbijtend het reisadvies voor Spanje zaten af te wachten', zei ik tegen mijn zoon. 'Of met zo'n verstikkend mondmasker het vliegtuig op moesten', viel hij in. 'Vreselijk!' zongen we in één stem. Maar toen augustus aanbrak, begon er iets te veranderen in mijn Instagramfeed. Ik zag bergbeekjes waar bruine benen in stonden, een smeedijzeren tafeltje op het grind van een Frans chateau, pour deux gedekt. Blijkbaar had ik te vroeg gejuicht: de echte genieters in mijn virtuele kennissenkring hadden gewacht tot nu om bucolische plekken buiten de grenzen op te zoeken. Met de auto. Meermaals daags klikte ik de filmpjes open van N., een ex-collega die telkens weer met haar gat in de vakantieboter valt. N. is bloedmooi. N. lacht altijd. En N. bleek in Italië te zitten, waar haar al even fotogenieke vriend steentjes over een maagdelijk meer keilde. 's Avonds werd er geaperitiefd met plaatselijke kennissen bij wie ze blijkbaar zonder enige sociale spanning overnachtten. Terwijl ik een coldpack uit de diepvries in mijn beha stopte om het thuiswerken bij 36 graden te overleven, stond N. in een keuken met airco, toe te kijken hoe een of andere Luigi met bloem op zijn T-shirt een avondmaal bij elkaar kneedde. Terwijl ik bij wijze van pauze een bruin uitslaande appel schilde, leunde N. achterover op het meest filmische pleintje dat ik ooit zag - Fellini beukte tegen zijn grafzerk van jaloezie. Het was tijd dat ik het toegaf: ik had maar weinig van mijn eigen zomer gemaakt. Van het leven tout court, eigenlijk. Mijn zuchten werden dieper, mijn voorhoofd plooide zich in alle windrichtingen. Na een dag of vijf kon mijn zoon het niet meer aanzien. 'Als je hierop drukt,' zei hij, mijn iPhone uit mijn handen grissend, 'staan die filmpjes voortaan verborgen.' En dat was dat. N.'s geluk was niet langer mijn ongeluk. Mijn fear of missing out was een stokoud paard dat een schot door de kop kreeg, door de poten zakte en de geest gaf. Binnenkort gaan we een middag naar Hoboken. Daar kijk ik gigantisch naar uit.