Ooit kende ik een vrouw die, bij de rand van haar zwembad gezeten, de wijn in haar glas liet walsen op elegante wijze. 'Hij traant mooi', placht zij met kennersblik op te merken. Zij zei dat met grote, droeve ogen. Alsof zij geloofde dat wijn echt kan voelen.

Toen ik de vrouw langer kende, begon zij meer flessen te ontkurken. Elke keer vond zij dat de wijn mooi traande nadat hij in haar glas was geklaterd. Dat werd vervelend. Ik raakte uitgekeken op dat zinnetje dat mij eerst intrigeerde. Zoals op de vrouw zelf trouwens, die baadde in weelde maar ongelukkig getrouwd was. Ik begon te betwijfelen of oenologen tranen als een kwaliteit zien. Volgens mij traant elke wijn als er niet te veel water bij wordt gedaan.

Toch is dat zinnetje mij bijgebleven, terwijl ik mij niet meer kan herinneren hoe de vrouw sliep of ademde. Als ik een glas krijg aangereikt en de wijn daarin zie tranen, dan denk ik aan haar en aan haar roodgelakte nagels. Ik hou dan mijn glas tegen het licht, laat de wijn walsen en zeg tegen wie het wil horen: 'Hij traant mooi', met iets dat voor een weemoedige gelaatsuitdrukking moet doorgaan. Ik vraag mij af of de vrouw nog altijd bij haar zwembad zit, en of zij dat van die tranende wijn nog altijd zegt. Het zou mij niet verbazen. Zij leek mij het type dat een leven lang hetzelfde kan zeggen, zoals zij het type was dat een leven lang op een comfortabele manier ongelukkig getrouwd kan zijn. Je hebt mensen die daar talent voor hebben. Zoals je mensen hebt die talent hebben voor buikspreken, steltlopen of het bereiden van fluweelsoepen.

Zover zijn we gekomen, denk ik, dat eerlijkheid wereldnieuws is

Als kind probeerde ik soms buik te spreken, of moet je zeggen buikspreken? Ik kwam in elk geval nooit verder dan wat kronkelen met buikspieren en de geheimzinnige vaardigheid lijkt sindsdien in onbruik geraakt te zijn. Fluweelsoep kan ik wel maken en asperges à la flamande, van de drie kilo die mijn moeder rechtstreeks bij de aspergeboer gehaald heeft. Het is stralend weer op deze doordeweekse feestdag. Normale mensen zitten aan zee, of ze nu gelukkig dan wel ongelukkig getrouwd zijn. Ik ben ver achter het front gebleven, in mijn eentje, met mijn rare principe om te mijden wat te veel volk tegelijk aan het doen is.

Ik lees een roman die mij wegvoert op de vleugels der verbeelding, terwijl het in de echte wereld weer aan alle kanten prijs is. Bomaanslagen in Sri Lanka hebben het leven gekost aan al 185 mensen. 'Waaronder zeker 35 buitenlanders', meldt de radio, omdat het leven van een inboorling toch altijd net iets minder van belang is.

Gelukkig zijn er ook dingen die je humeur opvrolijken. Zoals het verhaal van twee Britse tieners die een portefeuille vonden met daarin zeshonderdvijftig euro. Ze brachten die netjes naar de politie. De twee jongens staan verbouwereerd op de foto, overladen met complimenten en taart waarop hun naam staat. Zo'n bericht herstelt je vertrouwen in de wereld. Tegelijk is er iets vreemds aan de titel: 'Wat een helden!'

Zover zijn we gekomen, denk ik terwijl de wijn in mijn glas traant, dat eerlijkheid wereldnieuws is.