'In mijn familie waren we onze tijd vooruit in het cultiveren van faalangst, denk ik. Zo had ik vanzelfsprekend de beste vader ter wereld, maar over de stripverhalen die ik tekende, zei hij nooit: ' He waw', eerder: 'Kom een keer terug als je het beter kunt.' Ook mijn leraren waren van het sceptische soort en zeiden dat we wellicht werkloos zouden worden. Ik koesterde dus geen grootse ambities. Als ik weer eens met mijn neus in de literatuur zat, vond ik het niveau van mijn geliefde schrijvers zo ongelooflijk hoog dat ik de droom om iets soortgelijks te bereiken snel opborg.
...

'In mijn familie waren we onze tijd vooruit in het cultiveren van faalangst, denk ik. Zo had ik vanzelfsprekend de beste vader ter wereld, maar over de stripverhalen die ik tekende, zei hij nooit: ' He waw', eerder: 'Kom een keer terug als je het beter kunt.' Ook mijn leraren waren van het sceptische soort en zeiden dat we wellicht werkloos zouden worden. Ik koesterde dus geen grootse ambities. Als ik weer eens met mijn neus in de literatuur zat, vond ik het niveau van mijn geliefde schrijvers zo ongelooflijk hoog dat ik de droom om iets soortgelijks te bereiken snel opborg. Pas op, bij pubers is het vaak én én: de ene dag het grootste slachtoffer van de hele wereld, de volgende dag euforisch. Bij mij was het niet anders. Ik dweepte met de donkere romantiek van Jotie 'T Hooft en had zoveel pathos in mij dat ik De zondvloed van Jeroen Brouwers in mijn kleerkast verstopte omdat het me zo depressief had gemaakt. Tegelijk amuseerde ik me met vrienden en schreef ik vrolijke stukjes voor het schooltijdschrift. Mijn ouders vonden dat ik, net als zij, Germaanse kon studeren, maar ik dacht: universiteit?! Dat ga ik niet kunnen. Gelukkig was er Gert Dooreman (de gerenommeerde vormgever , red.). Sinds ik hem op mijn 11de via mijn vader had leren kennen, was hij mijn held. Hij was de lokale David Bowie, met een indrukwekkende bles, de knapste lieven en een fenomenaal ontwerptalent. Hij was het die op dat scharniermoment op mijn 18de zei: 'Sam, niet zeveren. Gij, die zoveel boeken leest, kunt zeker Germaanse aan. Ik ken trouwens een schrijver, Herman Brusselmans, en als die dat kan, dan gij ook.' Hij bedoelde het niet geringschattend, eerder in de zin van: coole gasten doen ook hogere studies. Hij raadde me een bezoekje aan Herman aan, en daar, in diens doorrookte hol vol stápels boeken, vervulde hij zijn Conscience-rol met verve: hij zette mijn leeshonger een versnelling hoger, leerde me lievelingsschrijvers als Mordecai Richler kennen, en moedigde me aan om voor Germaanse te gaan. Ik kan weleens scherp zijn over delen van Hermans oeuvre, maar niet zonder mijn grote erkentelijkheid te betuigen. Onder mannen is dankbaarheid uiten of aanvaarden moeilijk, maar ik weet zeker dat ook Gert de mijne heeft gevoeld. Hij gaf me het best denkbare advies: het is goed om een beetje onzeker te zijn - te zelfverzekerde mensen hebben zelden iets boeiends te vertellen - maar je moet soms durven springen. Ik deed het in 2017 nog, toen ik na 17 jaar wegging bij Woestijnvis, en ik sluit niet uit dat ik het ooit opnieuw doe, bijvoorbeeld om weer leraar te worden. Ik ben dat na mijn afstuderen twee jaar geweest en voel me vaak schuldig omdat ik ermee gestopt ben. Je eigen bewondering overbrengen op gasten van wie het intellectuele fontanelleke nog niet helemaal dichtgegroeid is - dat is toch prachtig? Met mijn eigen dochters (nu 21 en 19) heb ik al veel gebabbeld over keuzes maken. Doordat wij, de ouders van nu, het zo anders willen doen dan onze ouders, vergroten we de faalangst van onze kinderen nog meer, vrees ik. We zetten hen zo centraal dat ze bang zijn het niet te kunnen waarmaken. Desondanks hoop ik dat ik hen, Gert-gewijs , heb helpen geloven in zichzelf. Of in die prachtige uitspraak van Pippi Langkous: ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.'