'Ik was twintig en wilde Indiana Jones worden: onderwateropgravingen doen en daarvoor de wereld rondreizen. Het kwam dus keihard aan toen ik na een coma wakker werd en de dokters zeiden dat ik de rest van mijn leven in bed zou doorbrengen omdat ik vanaf de nek verlamd was.
...

'Ik was twintig en wilde Indiana Jones worden: onderwateropgravingen doen en daarvoor de wereld rondreizen. Het kwam dus keihard aan toen ik na een coma wakker werd en de dokters zeiden dat ik de rest van mijn leven in bed zou doorbrengen omdat ik vanaf de nek verlamd was. Het ongeluk was gebeurd op scoutskamp bij een Hollands meer. We hadden er 's namiddags in gezwommen, dus toen ik 's nachts met twee medeleiders nog even het water in wilde gaan, leek dat geen probleem. Ik dook eerst, daarna Wim, maar Joris zag dat we kwamen bovendrijven. Hadden hij en een vriendin Wim en mij niet op de oever gesleurd, dan waren we verdronken, want we hadden onze nek gebroken doordat er nog maar twintig centimeter water in het meer stond. Ze creëerden daar artificiële getijden, zonder dat dat ergens aangegeven werd. Er kwam een proces van dat we na vijftien lange jaren wonnen. Ondertussen onderging ik talloze moeilijke operaties die mijn spieren herlegden zodat ik toch weer mijn armen kon heffen. Mijn polsen kon ik nog bewegen, maar ik bleef afhankelijk voor alles, van eten tot naar het toilet gaan. Ik schaamde me voor mijn lichaam en rolstoel en zag geen manier om nog écht te leven. Een jaar na mijn ongeluk ben ik naar een klooster in de Ardennen getrokken, eerlijk gezegd met het idee er een eind aan te maken. Dat ik dat toch niet heb gedaan, is omdat ik zo goed omringd was: door mijn ouders - bij wie ik sinds mijn revalidatie weer woonde - mijn lief, mijn vrienden. Maar ik zag de machteloosheid in hun ogen. Ook mijn oudere broer Michel, met wie ik nu nog altijd erg close ben, wou iets doen opdat ik zou stoppen met huilen en triest zijn, maar hij bereikte me niet. Tot hij op een dag - waarschijnlijk ten einde raad - zei: 'Doe het omgekeerde van wat iedereen verwacht, maak van deze ellende een sprookje.' Ik was kwaad. Zag hij niet hoe diep ik zat? Tegelijk sprak de zin me aan. Niemand verwachtte nog iets van mij, dus ik was vrij om te doen wat ik wilde. Na een stomme ruzie met mijn ouders drong het op mijn 27ste tot me door: als ik nu niet verhuis, ver weg van mijn lieve, maar overbeschermende familie, zal ik nooit een eigen, zinvol leven leiden. Ik trok naar het ziekenhuis in Montpellier waarmee ik kort na mijn ongeluk in contact was gekomen en leerde er dingen als mezelf uitkleden, op eigen kracht in bed kruipen. Eindelijk kon mijn lichaam weer iets, waardoor mijn blik erop minder vijandig werd. Na zes maanden ging ik alleen wonen en dat gaat me vandaag nog altijd goed af. Ik heb al toffe relaties gehad, mijn moeder, zus en broer komen geregeld logeren, ik geniet van veel sociale contacten en van mijn vrijwilligerswerk bij een migrantenorganisatie, maar ik ben even blij met tijd alleen, bijvoorbeeld om muziek of mijn roman te schrijven. Dat doe ik zo graag dat ik besef dat Michels woorden waarheid zijn geworden: mijn leven heeft iets van een sprookje, zeker in vergelijking met wat de dokters me in het begin voorspiegelden. Ik amuseer mij, ik voel me vrij en ben grotendeels in het reine met mezelf. Natuurlijk heb ik soms pijn of verlang ik ernaar om gewoon langs het strand te kunnen stappen, maar ik doe het met wat ik heb. Uiteindelijk is dat de sleutel tot geluk, of je nu in een rolstoel zit of niet.'