Ik ontdekte de fotografie pas laat. Ik was twintig en had samen met enkele anderen een pand gekraakt in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Daar heerste begin jaren zeventig hevig verzet tegen de aanleg van een autoweg en een metrolijn, en dat wilde ik vastleggen. Ik merkte dat ik mijn sociale bewogenheid ook in foto's kon leggen, en de Gerrit Rietveld Academie en de tijdsgeest deden de rest. De oorlog in Vietnam, de onafhankelijkheidsstrijd in Angola en Mozambique, de kraakbeweging: er waren strijdpunten genoeg, en elke keer was de camera mijn wapen.
...

Ik ontdekte de fotografie pas laat. Ik was twintig en had samen met enkele anderen een pand gekraakt in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Daar heerste begin jaren zeventig hevig verzet tegen de aanleg van een autoweg en een metrolijn, en dat wilde ik vastleggen. Ik merkte dat ik mijn sociale bewogenheid ook in foto's kon leggen, en de Gerrit Rietveld Academie en de tijdsgeest deden de rest. De oorlog in Vietnam, de onafhankelijkheidsstrijd in Angola en Mozambique, de kraakbeweging: er waren strijdpunten genoeg, en elke keer was de camera mijn wapen. Een waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid bestaat niet. Fotografen interpreteren en kneden de gebeurtenissen, en dat deed ik ook wanneer ik sociale wantoestanden en conflicten in Europa en de derde wereld versloeg. Halverwege de jaren tachtig raakte ik daarop uitgekeken en ging ik meer met studiotechnieken en mijn eigen verbeelding werken. Niet omdat ik twijfelde aan de documentairefotografie, maar omdat ik teleurgesteld was in wat ik er zelf mee kon. Een plekje zoeken, wachten op de ordetroepen en dan een heldere tegenstelling tussen the good, the bad en the ugly creëren: de clichés loerden om de hoek. Op een ochtend zag ik alles wat waziger. Misschien ben ik vermoeid of heb ik te diep in het glas gekeken, dacht ik. ( lacht) Maar na een gesprek met de huisarts ging het snel. Consultaties op de neurologie, bloedafnames, een ruggenmergpunctie, een MRI-scan: voor ik het wist zat ik op een soort achtbaan, en ondertussen ging mijn gezichtsvermogen met de dag achteruit. Tot ik enkele weken later nagenoeg blind was en ik Lebers Opticus Atrofie of LOA bleek te hebben, een zeldzame erfelijke aandoening van de oogzenuw. Daarvan wist ik niet eens dat ze in de familie voorkwam. Voor rouwen had ik geen tijd. Psychologen raden je dat aan, alles op een rij zetten en verdriet toelaten. Maar als je zo plots blind wordt, heb je wel wat anders te doen. Snel nog een archief samenstellen, uitzoeken hoe je verder kunt, leren omgaan met een taststok, toetsenbordcombinaties en spraaktechnologie: met al die dingen moet je plots mee kunnen. Bovendien zou ik naar Curaçao vertrekken voor een fotografieproject en opperde een vriend dat ik er dan maar geluidsopnamen moest maken. Een gouden raad, achteraf bekeken: de audiorecorder en de microfoon gaven me een doel en een creatieve uitlaatklep, en ondertussen zat ik niet te tobben over wat er allemaal met me gebeurde. Het vreemde is dat mijn hoofd wel visualiseert. Visuele herinneringen bijvoorbeeld: talloze taferelen uit het verleden staan me nog steeds messcherp voor ogen. Sinds mijn blindheid droom ik ook intenser dan vroeger: haast fotografische dromen waarin ik mensen, plaatsen en objecten tot in de kleinste details verbeeld. Het omgekeerde - ziende blind zijn, verblind worden door je eigen ogen - bestaat net zo goed. In gesprekken met anderen vind ik het in ieder geval een voordeel dat ik me niet kan fixeren op hun uiterlijk of kleding en alleen met het gesprek zelf bezig ben. Met een beperking, maar niet beperkt. Dat is een wezenlijk verschil. Wanneer ik zoals vanochtend over een fiets struikel, bots ik met mijn beperking, maar ik ben geen zielige plant of zo. Ik kook, zit in een sportclub, neem in mijn eentje de tram en bezoek jaarlijks mijn zoon en kleinzoon in Los Angeles. Wil dat zeggen dat ik mijn blindheid aanvaard heb? Dat is lulkoek. Er valt mee te leven en het is mijn normaliteit, maar dat maakt het nog niet normaal. Anders donder je niet over die fiets. Zien is slechts een manier om tot beeld te komen. Ik heb noodgedwongen ontdekt dat je ruimtes ook kunt begrijpen aan de hand van je gehoor en tastzin, en daarna heb ik die ontdekking vertaald in geluidswandelingen en soundscapes van verdwenen of verre plekken. Met mijn stichting Geluid in Zicht heb ik ook een audiomaquette ontwikkeld van de Tweede Kamer in Den Haag: een schaalmodel dat je bij het betasten van de roltrappen en andere elementen meteen de corresponderende geluiden laat horen. Daardoor kunnen ook bezoekers met een visuele beperking het gebouw nu beleven en zich zijn architectuur voorstellen. Ik zou kunnen jammeren over de dingen die ik mis. Digitale fotografie bijvoorbeeld. Daar heb ik maar enkele jaren mee kunnen experimenteren. Maar voor zulke sombere gedachten ben ik te pragmatisch. Focus maar op de dingen waar je wel vat op krijgt, denk ik dan.