Mijn donkere kamer in Waarschoot is mijn sacrale ruimte. Daar - in de voormalige sigarenfabriek van mijn ouders - kan ik ongestoord werken. Ik vind het razend knap wat mijn ouders in hun leven hebben gerealiseerd. Hun fabriek was een van de laatste waar de sigaren nog met de hand gerold werden. Ik bewaar mooie herinneringen aan die tijd. Die sigarenfabriek was als een speeltuin voor mij.
...

Mijn donkere kamer in Waarschoot is mijn sacrale ruimte. Daar - in de voormalige sigarenfabriek van mijn ouders - kan ik ongestoord werken. Ik vind het razend knap wat mijn ouders in hun leven hebben gerealiseerd. Hun fabriek was een van de laatste waar de sigaren nog met de hand gerold werden. Ik bewaar mooie herinneringen aan die tijd. Die sigarenfabriek was als een speeltuin voor mij. Wellicht heb ik wel ergens iets van de koopmansgeest van mijn ouders geërfd. Maar een commerçant zou ik mezelf toch niet noemen. In mijn beginjaren nam ik, om te overleven, soms commerciële opdrachten aan, zoals persopdrachten en zelfs trouwreportages. De voorbije vijftien jaar hoefde ik dat gelukkig niet meer te doen. Laat het mercantiele denken maar aan de kunstwereld over, de kunstenaar zelf mag zich daar niet te veel mee inlaten. Compromissen sluiten om meer te kunnen verkopen, zou ik nooit doen. De periode dat ik in New York leefde - begin jaren negentig - heeft mij enorm gevoed. Één welbepaald moment had grote impact: ik stapte een boekwinkel binnen en zag tussen de sales een boek van Luc Sante: Evidence: NYPD Crime Scene Photographs, waarin politiefoto's van de jaren twintig verzameld stonden. Beelden van crime scenes, waar het lijk al was weggehaald. Dat het onderwerp ontbrak, vond ik zo fascinerend. Alleen de suggestie bleef over. Dat boek heeft, samen met het gegeven dat je in zo'n grootstad weinig mensen kent, mee mijn stijl vormgegeven. Mijn beelden lijken verstild, maar stellen vele vragen. De schoonheid zit voor mij in de gelaagdheid. Ik kan de kern van mijn foto's niet blootleggen. Als ik dat zou doen, kneep ik de ziel dood. De eerste collectioneur die een werk van me kocht, vroeg om daar iets over te vertellen. Op het moment dat ik heel de achtergrond had gereveleerd, zei hij: 'Spijtig, dat had ik beter niet geweten.' Hij zou nooit meer naar mijn werk kunnen kijken zonder aan mijn verhaal te denken. Dat is een goede les geweest. Laat mensen maar hun eigen verhaal bij mijn foto's verzinnen. Mijn werk draait ook helemaal niet om de anekdote die bij de opname hoort. Ik zal nooit zeggen dat ik te vroeg of te laat geboren ben. Ik ben niet blij dat ik ouder word, maar prijs me wel gelukkig dat ik de analoge techniek heb meegekregen én getuige ben geweest van de digitale revolutie. Onvoorstelbaar wat er allemaal gebeurd is tussen het einde van de jaren vijftig en nu. Mijn foto's hebben niet veel gemeen met de beeldcultuur die ons momenteel overspoelt, maar ik zet me daar zeker niet bewust tegen af. Deze tijden boeien mij, maar ik ben geen mens om achter een beeldscherm te zitten. Een foto digitaal bewerken interesseert mij niet. Ik mis daarbij te veel het fysieke aspect, het avontuur en de onvoorspelbaarheid van het ontwikkelen in de doka. Een mens verandert elke seconde. Ik geloof niet dat je 'dezelfde' kan blijven. Elk gesprek, alles wat je ziet, heeft een invloed op je. Tien jaar geleden zou ik niet klaar geweest zijn voor de Biënnale van Venetië. Ik ben een vrij solitaire, eerder timide mens. Zo'n paviljoen inrichten, vergt organisatie en afstemmen met andere mensen. Dat lukt me nu beter dan vroeger. Ik heb mijn onrust een plaats kunnen geven. Eerst moet je de essentie vinden, dan pas kan de ambitie volgen. Nu ik ouder ben, voelt mijn ambitie juister aan. Ze valt beter samen met de betekenis van mijn werk. Venetië komt op het juiste moment. Ik zit op kruissnelheid en word volgend jaar zestig: dit is het moment om ervoor te gaan. Natuurlijk kom ik in een circus terecht met honderden kunstenaars en een half miljoen bezoekers die me nauwelijks kennen. Ik spring in het diepe en dat geeft een dubbel gevoel. Het is spannend, maar ik moet erop letten dat ik mezelf blijf. Mijn eerste reactie was: hoe kan ik me profileren in die massa? Moest ik meegaan in de spektakelwaarde en iets bijzonders brengen? Die denkoefening was nodig om te beseffen dat ik dat zeker niet moest doen. Gewoon een goede tentoonstelling maken, daar kwam het vooral op neer.