Ik wil op mijn terras net een piepkleine huisjesslak fotograferen, als ik een bericht van een jonge dichteres krijg. Naaktslakken vind ik vies, maar huisjesslakken zijn de campers van het dierenrijk. Als kind dacht ik dat je daarbinnen opklapbedjes kon aantreffen en een mini-butagasstel. Toen sneed ik met het schilmes een huisjesslak open. Zoals wel vaker bleek de werkelijkheid slijmeriger dan mijn verbeelding. Toch vind ik buikpotig nog steeds een fijn woord.
...

Ik wil op mijn terras net een piepkleine huisjesslak fotograferen, als ik een bericht van een jonge dichteres krijg. Naaktslakken vind ik vies, maar huisjesslakken zijn de campers van het dierenrijk. Als kind dacht ik dat je daarbinnen opklapbedjes kon aantreffen en een mini-butagasstel. Toen sneed ik met het schilmes een huisjesslak open. Zoals wel vaker bleek de werkelijkheid slijmeriger dan mijn verbeelding. Toch vind ik buikpotig nog steeds een fijn woord. De dichteres schrijft dat ze op het punt staat iets te publiceren dat nog ietwat geheim is. Ik denk aan prototypes van vliegtuigen en aan de formule van Coca-Cola. Ze vraagt of ik het al eens wil lezen. Dat doe ik graag, want ik draag de dichteres een warm hart toe. Ze gebruikt woorden als 'geluk' en 'dartel' en durft al eens te meanderen als ze over haar lief schrijft. Haar strofen zijn niet gedrenkt in rosé en sarcasme, maar bezingen bij voorkeur het mooie en zachte. Dat vind ik gewaagd, in tijden als deze. Het zou mij verbazen als de dichteres een kontgewei had of aan de drank was. Denkend aan kontgeweien en koele roséwijn, grabbel ik in een lade op zoek naar een macrolens om de huisjesslak haarscherp in beeld te krijgen. Ik bezit objectieven om de wereld te vergroten, te verwijden of door de ogen van een schelvis te beschouwen. Die laatste lens vind ik de leukste, hoewel je moet uitkijken als je sommige lichaamsdelen niet per ongeluk mee wil fotograferen. Er is veel schoonheid in de wereld, maar daartoe behoren niet uit sandalen krullende mannentenen. Het nut van de beharing is trouwens onduidelijk. Mijn aandacht dwaalt af naar de rommel in mijn lade. Ik zie een kaleidoscoop en een Zwitsers zakmes. Aan het 'paspoort voor gezelschapsdieren' kleeft nog bloed van de dierenarts. Ik vind een batterij voor in de sleutel van een auto die gesloopt is. Ik denk aan ritten in voorbije zomers. Het is verbazend hoeveel weemoed er kan schuilen in een knoopcel van 3 volt. Er is ook lippenbalsem met jojoba. Op de verpakking staat: 'jojoba of woestijngoud werd door de Sonora-indianen als geschenk van de Grote Geest beschouwd.' Ik ben op mijn hoede als er indianen bij gehaald worden. Ook met goud is het uitkijken geblazen. Er was al het zwarte goud en de rode goudfazant. Onlangs kreeg ik een mail waarin stond dat het nieuwe goud de publieke parking is. 'Met een bescheiden inleg hoge opbrengsten ontvangen? Grijp nu uw kans!' Er ligt ook een polsbandje met streepjescode in de lade. Het draagt de naam van mijn jongste dochter en de dag waarop zij is geboren. Dat bandje had zij rond de pols bij haar ziekenhuisopname. Ze was voetje gelicht op school, kwam met haar hoofd tegen een paal terecht en verloor even het bewustzijn. We hebben toen bange momenten beleefd. Het bandje heb ik nooit willen weggooien. Als ik het tegenkom, ben ik blij om het leed dat is bezworen en het onheil dat niet is geschied. De zon schijnt in de tuin. Het roodborstje komt aangevlogen. Door mijn gerommel ben ik de huisjesslak uit het oog verloren. Zij heeft zich uit de voeten gemaakt, zo langzaam als ze kon. Ik schrijf de dichteres dat haar werk een verademing is. Als ik op de terrasstoel ga zitten, hoor ik iets kraken.