Ik ben zo'n vrouw geworden die af en toe faket. Om hem een plezier te doen. Omdat ik er niet onderuit kan. En omdat we nog even met elkaar verder moeten, ik en de man in de zwarte trui, die wijdbeens voor de Delhaize staat om de karren in de gaten te houden. Hij verwacht iets van mij dat ik hem niet kan geven. De tragiek van veel relaties.
...

Ik ben zo'n vrouw geworden die af en toe faket. Om hem een plezier te doen. Omdat ik er niet onderuit kan. En omdat we nog even met elkaar verder moeten, ik en de man in de zwarte trui, die wijdbeens voor de Delhaize staat om de karren in de gaten te houden. Hij verwacht iets van mij dat ik hem niet kan geven. De tragiek van veel relaties. Een tijdje geleden heeft hij me geduldig, liefdevol bijna, de werking van de wasstraat uitgelegd waar de kar tegenwoordig doorheen moet. Hij maande me aan niet bang te zijn van de nieuwe techniek. 'De kar ver genoeg naar voren rollen. Dan zorgen dat de wielen recht in die puttekes staan. Ja, voilà. Nu je handen onder de sensor houden, als daar product uit komt wordt de kar automatisch gereinigd.' Als een kind dat voor het eerst op het potje is geweest, keek ik hem aan. Ik had het goed gedaan. Maar de 'reiniging' van mijn kar viel me tegen. Een paar miezerige druppeltjes die op de handgreep neerdaalden, was dat het allemaal wel waard? Dat gehannes met die wielen, die vlijmscherpe pijn aan mijn handen. Geen strengere straf voor een nagelbijter dan een klets industriële alcoholgel die diep in de kloven brandt. Sindsdien beperkt ons contact zich tot vage knikjes. Soms zie ik hem weleens een paar woorden wisselen met een andere klant. Dan droom ik dat het er ooit van komt, een echt gesprek tussen ons, waarbij ik via een paar zijdelingse opmerkingen over de zon die zich te weinig laat zien, doorstoot naar de kern van de zaak: 'Heeft u het ook gehoord op het nieuws, een paar maanden geleden, dat contactoppervlakken stukken minder besmettelijk blijken te zijn dan gedacht? Zot hè, dat al die winkels je met alcoholgel blijven besproeien, zelfs als je net zo'n douche gehád hebt in een andere zaak.' Om op filosofische toon verder te gaan: 'Toch straf dat zo'n ingenieuze reinigingsmachine niet eens een vod uithoest om dat schaarse vocht op de handgreep mee open te wrijven. Want nu krijg ik steeds meer het gevoel dat ik zelf die vod ben.' Maar Karman is er niet om systemen in vraag te stellen. Hij is er om een veelkoppig virusmonster te verslaan, dat in de vorm van schuifelende oude vrouwtjes en struise kerels in jogging het voedselparadijs binnen wil. Zodra ze de poort door zijn, zullen ze knijpen in avocado's en graven tussen de bananen tot ze de geelste hebben, maar hij zal doen wat binnen zijn mogelijkheden ligt om het gevaar buiten te houden. Wie niet wast, is gezien. Ook als dat wassen geen naam mag hebben. Ik heb respect voor Karman, zijn strijd is mijn strijd. Alleen onze wapens zijn anders. Het mijne is een beige regenjas. Die trek ik aan, zelfs bij twintig graden, om als een grijze muis mijn beurt mee af te wachten aan de wasstraat. Soms zet ik een stap achteruit om anderen voor te laten gaan, tot het moment dat de aandacht van Karman verslapt. Dan sla ik toe. Verberg mijn hand in de mouw van mijn regenjas en steek mijn arm onder de sensor. Pssht, een royale kwak gel landt op de jas. Ik maak wrijfbewegingen, mouw over mouw. Net echt. Vervolgens dient de jas als kar-was: in één veeg is de handgreep schoon. Stralend schrijd ik binnen, klaar om een hele boodschappenlijst af te werken met mouwen als grijpklauwen. Karman staat erbij en kijkt ernaar. Bedankt voor je kwakje, zeggen mijn ogen, het heeft deugd gedaan. Hij glimlacht tevreden. Het is hoe het werkt, tussen ons.