Een vrouw zegt tegen mij dat ze op het werk dingen moet doen waarvoor ze niet opgeleid is. Ik zeg dat ik niets doe waarvoor ik ben opgeleid. Toch blijf ik tot dusver in leven, al ben ik vergeleken bij mijn kat een geweldige uitslover. Zij kijkt door het raam naar de wezens die daar dagelijks passeren. Je hebt de jongen met het litteken en het meisje van een kille schoonheid. Er is een hond die is vernoemd naar sigarettenvloeitjes en een meneer die op Lenin lijkt.

Intussen is er in het land van alles te doen over stilte. 'Maar liefst 69% van de Vlamingen geeft het belang van stilte in hun leven een score van acht op tien', lees ik in een persbericht. Dat is niet wat ik op straat zie. Daar bulkt het van de lui die als de dood zijn voor een toestand van geruisloosheid. De publieke ruimte is een vuilnisbelt die naar believen vol met lawaai wordt gekieperd. Mensen lallen en motoren loeien, als stuiptrekking van een fossiele wereld die zich niet zonder slag of stoot gewonnen wil geven.

Mijn kat staart geboeid naar het voorbijglijden van luxedinosaurussen. Als ik de voordeur open, onderneemt zij soms een vlugge poging om op straat te komen. Ik zeg dat daar niets dan de dood wacht. Een keer al stond zij bij de halte naar de dienstregeling te kijken. Ik zeg dat de tram ook maar loopt tot in Moskou, met Johan Heldenbergh in een hoofdrol. In weerwil van veel vrouwen, is mijn kat niet onder de indruk van bergen of helden.

De publieke ruimte is een vuilnisbelt die naar believen vol met lawaai wordt gekieperd.

Zelf waag ik mij soms te voet tot in het toeristische centrum, waar wandelbusjes rijden en morsig Spaans wordt gesproken. In een stille winkel koop ik een deo. Er staat op dat hij met liefde is gemaakt en vierentwintig uur actief blijft.

'Zal u met eentje toekomen?' wil de verkoopster weten.

Ik lach dat ik dat een eigenaardige vraag vind.

Zij heeft ogen die niet van kwinkslagen houden. Ze heeft een pleister op haar neus, beide vleeskleurig, en antwoordt onverstoorbaar: 'Sommige mensen houden van voorraad.'

Ik zeg dat een tante van mij voorraad aanlegde voor de Derde Wereldoorlog, maar dat zij nu toch al dertig jaar dood is. Soms vraag ik mij af waar al die goede rijst en sardientjes naartoe zijn.

De verkoopster schokschoudert. Sommige mensen houden niet van anekdotes.

Terug thuis sluit ik de luiken van mijn U-boot en duik tot een diepte van dertig meter. Zelfs daar dringt de buitenwereld als zeewater door kieren en reten. Een nieuwslezer bericht over een container vol doden. De krant schrijft over de Pokémon-moord, die speelser klinkt dan hij geweest is. De beschuldigde verkrachtte het slachtoffer en begroef haar lichaam in zijn tuintje met een splinternieuwe spade. Ik vraag me af of een oude zou gelden als verzachtende omstandigheid.

Of ze niet tegengestribbeld heeft, vraagt de voorzitter. En of hij niet zag dat haar hoofd rood werd.

'Ik vrij met mijn ogen dicht', antwoordt de beschuldigde. Er zal een pop naar het proces worden gebracht, waarop hij moet tonen hoe hij Shashia gewurgd heeft.

Ik vouw de krant dicht en leg ze op het boek Gebreide dieren uit de hele wereld - patronen voor 15 onweerstaanbare figuren.

De kat bedelt om eten.