Ik was drie toen mijn oudere broer Arjen omkwam in een verkeersongeluk. Te jong om te begrijpen waarom hij niet thuiskwam, maar ik voelde het verdriet van mijn ouders aan. Allemaal huilende mensen om je heen, dat tekent je. Daarna wilde ik hun op geen enkele manier nog meer verdriet bezorgen. Mijn innerlijke angsten, pesterijen op school, de eetstoornis in mijn tienerjaren: al die dingen hield ik voor mezelf. Zozeer dat ik uiteindelijk mijn eigen behoeftes en ontwikkeling verwaarloosde. Nog steeds kan ik me mijn ouders niet zonder verdriet voorstellen. Het wordt draaglijker, maar het slijt niet.
...

Ik was drie toen mijn oudere broer Arjen omkwam in een verkeersongeluk. Te jong om te begrijpen waarom hij niet thuiskwam, maar ik voelde het verdriet van mijn ouders aan. Allemaal huilende mensen om je heen, dat tekent je. Daarna wilde ik hun op geen enkele manier nog meer verdriet bezorgen. Mijn innerlijke angsten, pesterijen op school, de eetstoornis in mijn tienerjaren: al die dingen hield ik voor mezelf. Zozeer dat ik uiteindelijk mijn eigen behoeftes en ontwikkeling verwaarloosde. Nog steeds kan ik me mijn ouders niet zonder verdriet voorstellen. Het wordt draaglijker, maar het slijt niet. De overige kinderen verloren ook iemand. Maar omdat mijn ouders het allerergste meemaakten, raakte dat ondergesneeuwd. Voor gevoelens en introspectie was er in ons gereformeerde gezin sowieso weinig ruimte, en iedereen ging op zijn manier om met de pijn. Mijn overlevingsstrategie was ongebreideld fantaseren: in mijn verbeelding kon ik mezelf sterker en de wereld mooier maken, en tot op vandaag zie ik in alles iets anders. Het was me nooit gelukt om een puur autobiografisch verhaal te schrijven. De dood van mijn broer vormde het uitgangspunt en ik kom zelf uit een gelovig milieu, maar het verhaal en de personages staan op zich. Anders had ik me aan de feiten moeten houden en was ik snel klaar geweest, terwijl ik graag dingen verzin. De autobiografische elementen maken het verhaal sterker, maar de ouders in het boek zijn niet mijn ouders, en ondanks haar angsten en fantasie is Jas geen kopie van mezelf. Ik adoreer het werk van Jan Wolkers. Om wie hij was, maar ook om zijn onverbiddelijke manier van schrijven over mensen en gebeurtenissen uit zijn eigen leven. Zelf had ik het daar lang moeilijk mee. Kwets ik mijn ouders niet, kan ik dit of dat wel schrijven: zulke vragen remden me enorm. Mijn ouders hebben er uiteraard niet voor gekozen om een schrijver in de familie te hebben, iemand die uit haar eigen leven put en daar iets anders mee maakt. Bovendien gaf ik woorden aan gevoelens die zij niet konden en wilden benoemen. Maar als ik het niet deed, dan verloochende ik mezelf. Ik wilde nooit een schrijver worden. Dat ben ik gewoon altijd geweest. Schrijven is van kinds af aan een van de belangrijkste dingen in mijn leven, maar niet vanuit een ambitie om auteur te worden. Mocht het daar om draaien, dan zou ik ook niet schrijven wat ik nu schrijf, want dan zit je meer in met de roem, de aandacht en de ontvangst van je werk. Zullen de lezers en recensenten het wel mooi en goed vinden? Daar wil ik niet aan denken. Ik wil een publiek bereiken en gezien worden, maar ik schrijf het liefst in mijn bed, in mijn pyjama, of in een stacaravan in Zeeland, ver van alle drukte. Ik alleen met mijn verbeelding, dan schrijf ik wat ik wil. Kwetsbaar genoemd worden is een compliment. Kwetsbaarheid is vaak puur en ongemaskerd, en ik bén iemand die veel laat zien en daar oprecht in blijft. Ik maak er geen show van en maak mezelf niet groter dan nodig. Ik onderga mijn kwetsbaarheid ook niet zomaar - die maakt dat ik gedichten en romans kan schrijven. Interviews geven mensen wel een inkijk in mijn leven en de persoon achter de boeken, maar ik geef niet alles weg. Een schrijver zonder mysterie, wie koopt daar nog een boek van? (lacht)Ik voel me meer jongen dan meisje. Maar het meisjesachtige verliezen wil ik ook niet, dus zit ik ergens tussenin. Dat was vroeger al zo: als iemand op school vroeg of ik een jongen of een meisje was, kon ik daar geen antwoord op geven. Ik was anders, en daar kreeg ik voor op mijn kop. Hoe het precies zit en waar het vandaan komt, weet ik niet, maar het helpt dat ik nu een tweede naam heb. Vroeger was het enkel Marieke, nu is het Marieke Lucas, naar het stoere fantasievriendje dat ik verzon toen ik een jaar of zes, zeven was. De vlag dekt nu meer de lading, en ik voel me vrij om te zijn zoals ik ben. Ik heb veel achterstand in te halen. Door de gebeurtenissen in het verleden, maar ook omdat ik vijf, zes jaar intens aan mijn eerste roman heb gewerkt. Daardoor heb ik veel dingen gemist. Andere activiteiten bijvoorbeeld, maar ook een duidelijke identiteit naast mijn schrijverschap, voeling met leeftijdsgenoten, sociale vaardigheden en hechte vriendschapsbanden. Dat zijn de dingen die je tot mens maken en een plek in de wereld geven, niet dat je een boek voltooit en daar succes mee hebt.