Op 17 december 2007 reed ik, zoals elke ochtend, met de fiets naar school. Ik zat in Mortsel in het derde middelbaar en was op weg naar mijn examen wiskunde, toen ik plots door een auto werd aangereden bij het oversteken van een kruispunt. Tot op vandaag weten we niet wie schuld treft: de autobestuurder of ik. De enige zekerheid die we hebben, is dat ik zwakke weggebruiker was en dat de remmen van de wagen niet correct bleken te werken.
...

Op 17 december 2007 reed ik, zoals elke ochtend, met de fiets naar school. Ik zat in Mortsel in het derde middelbaar en was op weg naar mijn examen wiskunde, toen ik plots door een auto werd aangereden bij het oversteken van een kruispunt. Tot op vandaag weten we niet wie schuld treft: de autobestuurder of ik. De enige zekerheid die we hebben, is dat ik zwakke weggebruiker was en dat de remmen van de wagen niet correct bleken te werken. Drie maanden heb ik in het ziekenhuis op intensieve zorgen gelegen. Ik had problemen met zelfstandig ademen en mijn halswervels en de onderliggende zenuwbanen bleken geraakt. Toen ik ontwaakte uit een kunstmatige coma zat mijn moeder aan de rand van mijn bed, haar wangen vlekkerig van het huilen. Ik bleek een dwarslaesie C5-C6 te hebben, wat betekent dat ik in hoge mate verlamd ben. Ik kan nog spreken en mijn armen redelijk goed bewegen, maar mijn vingers niet meer, en ook sensorisch zijn een aantal functies uitgevallen. Fijne waarnemingen, zoals wanneer iemand mij aanraakt, voel ik vandaag niet meer, net als temperatuurverschillen. Bovendien is door de klap van het ongeluk ook mijn hypofyse uitgevallen, een klier in je hersenen die onder meer betrokken is bij de aanmaak van het stress- en slaaphormoon. Vandaag slik ik die hormonen in pilvorm, wat helaas niet het beoogde effect heeft. Zo word ik elke nacht drie tot acht keer wakker, waarna ik hulp nodig heb om mij eens om te draaien, of het haar uit mijn ogen te strijken.' 'Het klinkt misschien bijzonder vreemd, maar ondanks mijn ongeval ben ik vandaag optimistischer dan vroeger. Er zijn echt zoveel redenen om van het leven te genieten. Mijn fietsongeluk heeft op dat vlak mijn zijn en denken volledig veranderd. De dag dat je, na lang herstel, ontslagen wordt uit het ziekenhuis, voel je je de gelukkigste mens ter wereld. De zon schijnt, je ademt weer frisse buitenlucht in. Ik geniet vandaag van de allersimpelste zaken. Ik denk ook dat het ongeluk mij geholpen heeft om zelfbewuster en meer open-minded te worden. Na mijn ongeluk bracht ik tweeënhalf jaar door in Pulderbos, een revalidatiecentrum in de Kempen voor kinderen en jongeren. Ik maakte er, dankzij de hulp van mijn school, mijn derde, vierde en vijfde middelbaar af. Aanvankelijk hoopte ik nog dat het centrum over hoogtechnologische apparatuur zou beschikken waardoor mijn gezondheid er weer op vooruit zou gaan. Toen ik ontdekte dat de meest geavanceerde toestellen een Zweedse bank, een klimrek en een trampoline waren, besefte ik dat echt genezen er niet meer in zat. Ik heb mezelf toen gedwongen om mijn nieuwe situatie te aanvaarden en me te focussen op wat ik wél nog kon. Ik deed dat in de eerste plaats voor mijn ouders en naaste familie. Het ergste is immers niet mijn lichamelijke pijn, of de gêne die ik voel bij het aangekleed of aangestaard worden door anderen, maar de pijn die ik bij mijn omgeving veroorzaak. De droefheid op het gezicht van mijn ouders in de maanden na mijn ongeval raakte me diep. Ik wou hen absoluut opnieuw aan het lachen krijgen. Uiteindelijk heb ik door mijn optimisme zelf ook beter leren relativeren. Ondanks de zware momenten die komen kijken bij een letsel als het mijne, maak ik bijna dagelijks fantastische dingen mee, althans in mijn ogen. Vorig jaar reisde ik, mede dankzij de steun van het Emilie Leusfonds, drie weken langs de oostkust van de VS, samen met mijn broer en een verpleegster die ons vergezelde om mij te helpen. Van op de luchthaven tot in het moeraslandschap de Everglades heb ik dingen beleefd die ik vroeger niet zo intens zou geapprecieerd hebben. Soms maak ik dankzij mijn beperking zelfs iets leuks mee, zoals die avond in Brooklyn tijdens onze reis, toen een anonieme man onze dure restaurantrekening al betaald bleek te hebben. Zulke momenten maken mij blij, omdat personen met een handicap doorgaans toch nog vaak gediscrimineerd en gestigmatiseerd worden. Ik probeer daarom zelf altijd zo toegankelijk mogelijk te zijn, zodat de buitenwereld leert inzien dat ik ook maar een gewoon mens ben.' 'Een tweede groot keerpunt in mijn leven was toegelaten worden tot Omkaderd Wonen, een project van de KU Leuven waarbij studenten met en zonder functiebeperking samen op kot zitten. Ik wou heel graag op kot, deels om een stuk zelfstandiger te leren zijn, maar vooral om mijn moeder haar nachtrust terug te geven. Mijn ouders zijn gescheiden en sinds mijn ontslag uit het revalidatiecentrum woonde ik bij mijn moeder, maar ik zag haar gezondheid achteruitgaan door stress en een slaaptekort. Omdat ik meermaals per nacht wakker word, staat zij ook meerdere keren op om mij te helpen. Dat vraagt enorm veel van haar, en helaas zijn er bijna geen oplossingen voor deze situatie. Er bestaat zoiets als Nachtzorg, waarbij een verzorger permanentie doet tijdens de nacht, maar die dienst is zo drukbezet dat we er momenteel maar één of twee nachten per week een beroep op kunnen doen. Op kot gaan was de enige manier om de druk op mijn moeder wat te verlichten. Intussen woon ik in Leuven al zeven jaar in dezelfde kamer, in een gebouw met studenten van alle leeftijden en studierichtingen. Het enige verschil met een gewoon kot, is dat bij ons op elke verdieping één student woont met een functiebeperking en een veertiental kotgenoten die voor hem of haar zorgen. Elk van de studenten op mijn verdieping zorgt wekelijks vier tot zes uur voor mij, met om de drie weken een nachtpermanentie. Maar het blijft niet bij zorgen alleen, ik heb hier al veel mooie vriendschappen aan overgehouden. Bovendien merk ik dat mijn kotgenoten graag met mij praten. Dat komt volgens mij doordat ik de maatschappij sinds mijn ongeluk vanop een zekere afstand bekijk. Ik denk vrij objectief en zal mijn kotgenoten altijd mijn oprechte mening geven, ook als ze die niet willen horen. Ik ben een beetje de kotpsycholoog. (lacht) Eigenlijk wou ik op kot gaan in Antwerpen, dichter bij huis, maar Leuven bleek de enige universiteit in ons land die toen al zulke goede voorzieningen had voor studenten met een functiebeperking. Bovendien wou ik het liefst geneeskunde of biomedische wetenschappen studeren, maar dat bleek niet haalbaar met mijn beperking. Ik heb vandaag een diploma taal- en letterkunde op zak en volg nog een master in de communicatiewetenschappen, twee domeinen die me ook erg interesseren.' 'De komende jaren wil ik graag zo zelfstandig mogelijk gaan leven. Ik wil een job en een aangepaste woning vinden, maar dat is niet evident. Liefst wil ik in het centrum van Antwerpen wonen. Ik wil met mijn rolstoel naar de bakker en het theater kunnen, want het openbaar vervoer in België is nog niet goed afgesteld op rolstoelgebruikers. Ik besef ook dat de kans op een klassiek gezinsleven klein is met mijn beperking, dus wil ik me focussen op mijn carrière en wonen in een bruisende omgeving. Helaas zijn er niet veel opties voor mensen in mijn situatie. Ofwel woon je in een instelling, maar dat wil ik zo lang mogelijk uitstellen. Veel lotgenoten maken van hun ouderlijk huis een kangoeroewoning, maar ook dat zie ik niet als een optie voor mij. In Antwerpen heb je de sociale woningblokken van Zewopa, dat zijn appartementsgebouwen met onder meer woningen voor personen met een beperking waar ook telkens een kantoor is met verpleegkundigen op wie je een beroep kunt doen. Dat zou ideaal zijn, maar de appartementen liggen in een vrij afgelegen buurt. Ik zou voor elke uitstap een taxi moeten boeken. Mijn broer en ik zijn daarom aan het bekijken of we zelf geen woonzorgproject kunnen oprichten. We denken aan een vorm van cohousing waarbij personen met een beperking samenwonen met bewoners die bepaalde zorgen op zich nemen. Qua job wil ik graag iets doen rond inclusiviteit. Ik wil onze samenleving toegankelijker helpen maken voor personen met een beperking, maar uiteindelijk zie ik wel wat er op me afkomt. Als tiener kon ik mij echt zorgen maken over de toekomst. Vandaag probeer ik gewoon zoveel mogelijk te bereiken op een dag. Stap voor stap, of in mijn geval: draai per draai.'