Vraag tien specialisten uit de voedingsindustrie hoe het systeem er over vijftig jaar zal uitzien en je krijgt tien verschillende antwoorden. Hoe oneens ze het ook zijn over de manier waarop ze bepaalde problemen zouden oplossen, ze zijn het wel eens over het feit dat er verschillende problemen zijn. Dit zijn de belangrijkste zaken die ons voedingssysteem bedreigen.
...

Vraag tien specialisten uit de voedingsindustrie hoe het systeem er over vijftig jaar zal uitzien en je krijgt tien verschillende antwoorden. Hoe oneens ze het ook zijn over de manier waarop ze bepaalde problemen zouden oplossen, ze zijn het wel eens over het feit dat er verschillende problemen zijn. Dit zijn de belangrijkste zaken die ons voedingssysteem bedreigen.De verandering van ons klimaat is al even geen onheilspraatje meer, maar een zichtbare en meetbare realiteit. Steeds meer boeren worden getroffen door langdurige droogte, of net door overvloedige regenval. Dit is de laatste jaren ook steeds dichter bij huis te voelen.Verschillende groenten die standaard vanuit Zuid-Europa worden geïmporteerd, ontbraken vorige winter wekenlang in de supermarkten. In België kregen we afgelopen zomer te maken met radeloze boeren die zich door de droogte gedwongen zagen water op te pompen uit sloten, ondanks het verbod. Deze zaken zijn in heel wat landen in het zuiden al jaren de bittere realiteit. De situatie is her en der zo ernstig dat wetenschappers spreken over het uitsterven van verschillende gewassen, zoals cacao, koffie en bananen. Dat gevaar op uitsterven wordt niet enkel veroorzaakt door de verandering van ons klimaat, maar ook door de neiging van boeren en grote verdelers om al hun geld op een paard in te zetten. Neem maar eens een kijkje bij de versafdeling in je supermarkt: als er twee soorten courgettes of drie soorten tomaten liggen, heb je al veel geluk. En dat terwijl er van elke soort groente of fruit onnoemelijk veel varianten bestaan. Toch kiezen boeren er vaak voor slechts een variant te telen (en retailers om maar een variant te verkopen). Zo kunnen ze immers kiezen voor de soorten die op die manier gekruist werden dat ze bijvoorbeeld resistent zijn tegen vaak voorkomende ziektes. Op die manier is de boer daartegen beschermd, maar wat als er een nieuwe, dodelijke plantenziekte ontstaat waartegen die ene soort niet is opgewassen? Juist ja: dan is er geen vluchtweg meer en verliest hij alles. Aansluitend daarbij is de uitdaging van de monocultuur: steeds meer boeren verbouwen een welbepaald product op grote schaal. Zo krijg je bijvoorbeeld maïsboeren, varkensboeren, melkboeren en appelboeren. Het voordeel daarvan is dat die boeren zich enorm kunnen specialiseren en daardoor hun winst kunnen maximaliseren, de nadelen dat dat voor hen een onzekere situatie schept én dat het een negatieve invloed heeft op het milieu. Als bijvoorbeeld door een natte zomer zestig procent van het graan beschimmelt, is de boer dat jaar zestig procent van zijn inkomsten kwijt en kan hij dat niet opvangen met inkomsten vanuit een andere teelt, zoals boeren decennia geleden wel nog deden. Daarbij tonen verschillende onderzoeken aan dat monocultuur de omgeving sterk beïnvloedt: in dergelijke gebieden komen bijvoorbeeld veel minder vogelsoorten of nuttige insecten voor, omdat zij er minder voedsel vinden. Zelfs als er op verschillende akkers verschillende planten worden verbouwd, zullen insecten - en dus ook de dieren die die insecten eten en daardoor op hun beurt de dieren die de insecteneters eten - minder voorkomen. De meeste boeren houden namelijk niet zo van die ongenode gasten die hun werk zomaar opeten en gebruiken daarom bestrijdingsmiddelen. Mede daardoor is in de Verenigde Staten onlangs nog de hommel - een belangrijke bestuiver - terechtgekomen op de lijst van dieren die er met uitsterven bedreigd zijn. Behalve dat bestrijdingsmiddelen de lokale fauna aantasten, komen ze ook in de bredere omgeving terecht. Soms zijn ze achteraf terug te vinden in waterlopen in de buurt, wat een effect kan hebben op het leven daarin. Soms komen de producten via verstuiving terecht in de tuinen van mensen die naast akkers wonen. Soms worden (te) hoge concentraties aangetroffen in ons eten, met de fipronilcrisis als meest recente voorbeeld.Dat brengt ons meteen bij de teelt waarbij dieren gemoeid zijn, want als het gaat over landbouw en het milieu, gaat de vlees-, ei- en zuivelsector niet vrijuit. Boerderijdieren stoten grote dosissen methaangassen uit en zorgen voor mestoverschotten. Landbouw zou volgens sommige berekeningen goed zijn voor dertig procent van de totale koolstofuitstoot op aarde. Zeker in de directe omgeving van megastallen, waar erg veel dieren worden gehouden op een beperkte oppervlakte, is de impact waar te nemen. Al is het vandaag een veelbesproken onderwerp, puur rationeel bekeken is dierenwelzijn amper relevant voor onze voedingsvoorziening. De goedkoopste manier om zoveel mogelijk mensen te voeden met dierlijke producten is immers om zoveel mogelijk dieren te houden op een zo beperkt mogelijke oppervlakte. Dat is dankzij moderne stalformules nog relatief milieuvriendelijk ook. Maar daar kunnen steeds minder mensen in het westen mee leven, zo getuigen de reacties na enkele recente schandalen in slachthuizen. De vraag verschuift dus steeds vaker van 'hoe kweken we zoveel mogelijk dierlijke producten op een zo efficiënt mogelijke manier?' naar 'moeten we eigenlijk wel nog zoveel dierlijke producten produceren?'. Dat is echter de tendens in het Westen. Er wordt verwacht dat in grote landen waar de economie aan het opleven is, zoals China, steeds meer vlees en dierlijke producten gegeten zullen worden. En laat dat nu net landen zijn waar dierenwelzijn - nog meer dan in het westen - in de kinderschoenen staat. Dankzij de toegenomen globalisering kunnen we hier in België genieten van kiwi's, tomaten in de winter en avocado's, maar het heeft ook een negatieve kant. Dergelijke producten leggen grote afstanden af om in onze winkelrekken terecht te komen en dat heeft natuurlijk zijn impact op de globale uitstoot. En er zijn nog enkele minder mooie kanten aan het verhaal. Zo staan door de internationale handel alle boeren wereldwijd in concurrentie met elkaar. Dat betekent dat een boer van bij ons het risico loopt niet van zijn producten af te raken als hij de prijs zou vragen die nodig was om ze te produceren, omdat er altijd wel ergens een boer uit een lageloonland klaarstaat met een goedkopere lading. Daaraan wordt nu vaak tegemoetgekomen met subsidies, maar de vraag is of dat houdbaar blijft. Het gaat echter ook omgekeerd: zo worden in onze contreien massaal goedkope kippen geproduceerd, maar houdt de westerse consument niet zo van de poten. Die worden massaal naar lageloonlanden geëxporteerd en daar op de markt gegooid aan dumpingprijzen, zodat lokale telers hun billen niet kwijtraken en de handdoek in de ring moeten gooien.Landbouwer zijn is geen rustige nine-to-five-job, maar voor heel wat boeren loont de arbeid amper. De prijzen worden continu gedrukt door de wereldhandel én door retailers, die het liefst zo goedkoop mogelijk aankopen om hun eigen winst te maximaliseren. Daartegenover staan de grote landbouwbedrijven, die meer grootgrondbezitter zijn dan boer. Dergelijke bedrijven worden gerund door uitgebreide directiecomités en als je het land van van vijf hele grote Russische of Australische boeren bij elkaar zet, bekom je een oppervlakte die even groot is als de Benelux.Net als fossiele brandstoffen of diamant, is grond een eindig iets: op is op. Daardoor is het een interessant goed voor beleggers die weten dat grond altijd haar waarde zal behouden. Boeren die financiële problemen hebben, worden overgehaald hun grond te verkopen, waardoor steeds minder landbouwgrond daadwerkelijk in handen is van de persoon die hem bewerkt. Beginnende boeren moeten enorme bedragen neertellen om de benodigde akkers, vaak op kilometers van elkaar verwijderd, bij elkaar te sprokkelen. Daarbij raakt steeds meer grond volgebouwd en rukken steden op. Dat proberen pioniers vandaag om te buigen tot een voordeel door landbouwbedrijven te starten op daken van kantoorgebouwen, maar het is twijfelachtig of dit ooit aan de voedselvraag van de stedelingen zal kunnen voldoen. Tel daarbij het feit dat door monocultuur de aarde steeds meer uitgeput raakt en het probleem van door erosie wegspoelende vruchtbare aarde en je begrijpt waarom grond een probleem is waar mensen uit de sector zich zorgen over maken. Er zijn onderzoekers die stellen dat er nu al genoeg voedsel geproduceerd wordt om de hele wereldbevolking ruimschoots mee te voeden en dat het vraagstuk dan ook niet aan deze kant van het systeem ligt. Problematischer voor hen is de massale voedselverspilling. Concrete cijfers variëren tussen een kwart tot maar liefst de helft van alle productie, maar zeker is dat erg veel eten niet opgegeten wordt.Die verspilling gebeurt in elke fase van het voedingssysteem: grote hoeveelheden perfect eetbaar voedsel wordt regelmatig afgekeurd omdat het er afwijkend uitziet, de supermarkten liquideren wat ze niet verkocht krijgen, restaurants kopen niet doordacht in en gezinnen sluiten het proces af. De overgrote meerderheid van wat in supermarkten ligt, is zogenaamde ultra-processed food. Onze hoge consumptie daarvan, samen met het feit dat we te weinig groente en fruit eten en onze grotendeels zittende levens, maakt dat er nog nooit zoveel mensen leden aan ziektes als diabetes en obesitas. Ook links met kanker duiken af en toe op.Zelfs wie bewust winkelt, heeft het niet altijd even gemakkelijk. Zo is het niet voor elk ingrediënt verplicht om vermeld te staan op het etiket. Daarbij doen voedingsbedrijven er veel aan om hun product gezonder voor te stellen dan het werkelijk is. 'Volkoren', 'suikerarm', '100 % natuurlijk'...: het zijn maar enkele voorbeelden van hoe consumenten misleid worden. Omdat er zoveel van afhangt, zijn de budgetten die naar marketing gaan, dan ook enorm. Zeker als je ze vergelijkt met de budgetten rond voedseleducatie. Bedrijven die geld willen verdienen aan wat ze verkopen, doen dat dus regelmatig met behulp van mooie praatjes die niet altijd even waar zijn. Bovendien wordt de besluitvorming door onze overheid continu beïnvloed door stevig lobbywerk, iets wat bijvoorbeeld in het glyfosaatdebat er duidelijk werd. Waar kan een bewuste consument nog betrouwbare informatie vinden over voedsel? Er zijn organisaties die de bescherming van voedsel als hoofddoel hebben, maar die komen de laatste tijd wel af en toe in opspraak. Zo kwam er tijdens de fipronilcrisis veel kritiek op het Belgische Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid (FAVV) en op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), omdat die uit belang voor de landbouwsector te lang gewacht zouden hebben met het verspreiden van informatie.