Er zijn herinneringen die je bijblijven. Omdat ze op je netvlies of je smaakpapillen gebrand staan. Soms zelfs letterlijk. Er is één smaak die in goudbruine schilfers doorheen mijn kindertijd kruimelt. Eén die ik steeds van mijn lippen lik, als ik aan kerstavond denk. Het mooiste moment van het jaar.
...

Er zijn herinneringen die je bijblijven. Omdat ze op je netvlies of je smaakpapillen gebrand staan. Soms zelfs letterlijk. Er is één smaak die in goudbruine schilfers doorheen mijn kindertijd kruimelt. Eén die ik steeds van mijn lippen lik, als ik aan kerstavond denk. Het mooiste moment van het jaar. Ik koester nog steeds de sfeer van kerst als kind. Mijn ouders die geen lange chique tafel dekken, maar de houten salontafel tot vlak aan de boom slepen. Onze tekenplek, poppenziekenhuis, puzzelplatform, piratenboot of danspodium prijkt opeens prominent tussen de pakjes. Een dis op kindermaat. Met fonkelende blik, weerspiegeld in de kristallen kerstballen, bewonderen we de eerste gang. Bladerdeeghapjes. Petieterige vol-au-vents, ieniemienie vispasteitjes, kleine ruitjes met bolognaisesaus. In mijn kleuterogen het toppunt van raffinement. Dit moet wel het voedsel van koningen zijn. Van de helft van de hapjes is het niet duidelijk wat er juist in zit, maar alles proeft naar kaas en feest en warm. Nooit voel je je als kind zo groot, als bij miniatuurvoedsel. Mijn moeder en vader zitten dubbelgevouwen op de kleine krukjes, hun knieën boven het tafelblad. Maar wij ukjes tronen met beide voetjes op de grond, voor één keer maatstaf en middelpunt van het feestgedruis. Met blinkende oogjes en dito vingertjes, want we mogen met onze handen eten. Het hoofdgerecht is het pièce de resistance en het wachten gedurende een jaar meer dan waard. Mijn ouders verdwijnen in de keuken. Ik hoor gestommel, gelach en gerommel van metaal. Dan zwaait de deur wagenwijd open. Als een kerstengel, verlicht door tl-buizen, verschijnt mijn vader, het gloeiende ovenrooster stevig tussen zijn wanten geklemd. Mijn moeder flankeert met de Heilige Spatel en in statige processie schrijden ze dichterbij. Vol eerbied schuiven ze op elk uitgestoken bord een kaasbroodje met hesp. Glanzend, boterig deeg, dat de hele mond bestrijkt, tot in de verste uithoeken van de glimlach. Knisperend flintert de korst tussen mijn tanden, en het dampend geluk vult mijn maag en hart. Boter, kaas en vlees, Heilige Drievuldigheid. "Eerst goed blazen", bezweert mijn moeder, maar nog voor de woorden haar mond verlaten, heb ik de mijne al verbrand. Ik blus mijn mond met kleverige cola, een godendrank die enkel geschonken wordt tijdens hoogdagen. En of dit een luisterrijke dag is... Op de achtergrond speelt kerstmuziek, iedereen zingt mee en ik ben blij dat mijn vel zo sterk is, of ik zou eruit barsten van geluk. Terwijl mijn kleine zusje Jezus aan de kribbe toevertrouwt, lik ik aan mijn vingers en prik elke kleinste kruimel op. De Drie Koningen mochten naast mijn bord verschijnen, ik zou mijn bladerdeegbroodjes voor geen goud, wierook of mirre willen ruilen. Nog steeds gaat geen kerstavond voorbij zonder gloeiend broodje met kaas en hesp. Het blijft hét gerecht waar ik het meest naar uitkijk, maar ook hetgeen waardoor ik ook dit jaar de rest van het menu niet meer zal proeven, omdat ik mijn gehemelte, zoals elke kerst, wederom genadeloos verbrand.