Het simpele ei kreeg de afgelopen dagen de status van gevaarlijk product, nadat in Nederland de giftige stof fipronil werd aangetroffen. De voedselagentschappen in Nederland en België blonken vooral uit in het sussen van de ongeruste massa: de hoeveelheid fipronil die in de eieren aanwezig is, zou geen acuut gevaar opleveren voor de gezondheid. Maar daarmee is de kous natuurlijk nog lang niet af.

Hoe geloofwaardig klinkt de relativerende boodschap immers dat een beetje gif geen kwaad kan als de voedselagentschappen tegelijk wel aanraden kinderen niet van de bewuste eieren te laten eten? En hoe gerustgesteld ben jij als je hoort dat het allemaal niet zo erg is, maar er tegelijk wel verschillende pluimveebedrijven gesloten worden? Een paar druppeltjes benzine kunnen wellicht ook geen kwaad, maar dat betekent niet dat iemand het vrijwillig over zijn maaltijd zal kappen. Niemand wil iets in zijn lijf krijgen dat daar niet thuishoort.

Hoeveel vertrouwen leg je tenslotte nog in die sussende organisaties nu duidelijk werd dat in minstens één Belgische staal de Europese drempel toch overschreden werd? Dat de agentschappen voor voedselveiligheid kiezen voor een bagatelliserende aanpak terwijl de vraag om duidelijkheid steeds luider klinkt, is op zich al verontrustend, maar daar stoppen onze bezwaren bij de fipronil-crisis niet.

'Fipronil is niet de ziekte, maar slechts een symptoom van wat er mis is met onze voedingsindustrie'

Ook de communicatie vanuit de sector zelf is bedenkelijk. Die omschreef de huidige crisis al als een storm in een glas water omdat de gevonden hoeveelheid fipronil in Belgische eieren toen nog lager was dan de alarmgrens. De boodschap 'er is geen gevaar voor de acute volksgezondheid, dus er is geen probleem' doet verdacht veel denken aan de loopgravenoorlog waarin het debat rond glyfosaat in is verzand.

Alle aandacht richten op de vraag of mensen nu ziek worden van een bepaald product of niet, lijkt ons af te leiden van het voldongen feit dat er gevaarlijke gifstoffen gebruikt worden in onze voedingsindustrie. Na verloop van tijd ging het in het glyfosaatdebat bijna enkel nog over de eventueel kankerverwekkende eigenschappen van de pesticide, niet meer over de gevolgen ervan voor het milieu. Dat kwam de glyfosaatproducerende bedrijven niet slecht uit, aangezien het gezondheidsaspect iets was waar nog ze twijfel over konden zaaien. De eindconclusie over de carcinogeniteit ervan is immers nog niet gevallen. Toevallig of niet, dat die strategie eerder ook al gebruikt werd door de tabaksindustrie, de steenkoollobby en de klimaatontkenners?

© Getty Images/iStockphoto

Daarbij gaat het beschermen van de volksgezondheid verder dan het binnen de perken houden van stoffen in onze voeding die ons (meteen of binnen enkele jaren) ziek kunnen maken. Ook het controleren van onze leefomgeving is daar een deel van. Want als de voedingsindustrie het water vervuilt, de landbouwgrond uitput en het milieu danig onder druk zet, voelen mensen daar de gevolgen van. We ademen, drinken en eten wat we zaaien. Kunnen we dan ook het idee loslaten dat zorg dragen voor het milieu iets is voor wereldvreemde hippies?

Greenpeace verkondigt het nu al sinds de jaren tachtig, maar anno 2017 lijken we het nog steeds niet te snappen: Er is geen tijd te verliezen als het gaat om ons milieu. Op twee augustus 2017, Earth Overshoot Day, soupeerden we in België al meer hulpbronnen op dan de natuur in een jaar kan aanmaken. Dat berekende het Global Footprint Network. Hoe we dat voor mekaar kregen? Overbevissing, te veel ontbossing en te veel uitstoot van broeikasgassen. Ons eetpatroon is voor een belangrijk deel verantwoordelijk en als Belgen mogen we de vijfde plaats claimen in het beschamende lijstje van grootste verbruikers van natuurlijke hulpbronnen. En dat terwijl een simpele actie zoals meer plantaardig eten onze voetafdruk meteen zou verkleinen, minder dierenleed zou veroorzaken en zieke, opeengestapelde dieren zou vermijden.

'De massaproductie brengt heel wat problemen met zich mee waar de industrie mee moet afhandelen, maar bij het bestrijden daarvan is het vaak kiezen tussen de pest en de cholera'

Laten we vooral ook het allerbelangrijkste niet uit het oog verliezen: zelfs een lage dosering fipronil zou niet nodig zijn als kippen niet zo op elkaar geprakt zouden moeten leven. De omstandigheden waarin leghennen doorgaans worden gehouden, zijn de ultieme droom voor een bloedluis: die vindt er zijn beminde kostje in een heerlijk warme en vochtige biotoop. De grote vraag naar eieren en de lage prijzen zorgen er echter voor dat dit systeem in stand gehouden wordt. Dit gaat trouwens niet alleen zo bij kippen. We proberen zoveel mogelijk dieren op een zo klein mogelijke oppervlakte te houden om westerlingen te voeden en dat wreekt zich. De massaproductie brengt heel wat problemen met zich mee waar de industrie mee moet afhandelen, maar bij het bestrijden daarvan is het vaak kiezen tussen de pest en de cholera.

Dat voeden van die westerlingen gebeurt overigens behoorlijk inefficiënt. Twintig miljard landbouwdieren en hun voer bezetten ongeveer 76 procent van alle landbouwgrond op onze planeet. Tegelijkertijd is een zesde van de wereldbevolking ondervoed en sterven mensen aan honger. De plaats die we gebruiken om vee opeen te stapelen en veevoeder te kweken, zou ook ingezet kunnen worden om gewassen te telen - afhankelijk van de ondergrond - die gegeten kunnen worden door mensen.

© ISOPIX

Veertig procent van de graangewassen wordt momenteel gebruikt als veevoeder en de omzetting van dat graan naar vlees is behoorlijk inefficiënt: voor één kilogram rundsvlees is ongeveer zeven à negen kilogram graan of soja nodig. Dit gaat om voedsel dat we ook gewoon zelf zouden kunnen opeten. In het Westen zitten we ver boven een 'eerlijk aardeaandeel', aangezien we ongeveer zeventig procent van de proteïnen in het EU-veevoeder importeren. De beschikbare landbouwoppervlakte bestaat momenteel uit 2.500 m² per persoon, maar we gebruiken ongeveer twintig miljoen hectaren buiten Europa.

Behalve het controleren van giftige stoffen in ons voedsel en het leefbaar houden van onze omgeving, betekent voedselveiligheid dus ook voedselzekerheid. Die bereik je door efficiënter om te gaan met de beschikbare grond, maar ook door voorzichtiger te werken. De pesticiden die vandaag de opbrengst verhogen, zijn in staat om op lange termijn een sterke weerslag uit te delen. In Frankrijk werden producten op basis van fipronil in 2003 al uit de handel genomen, omdat er een link zou zijn tussen de stof en een grotere bijensterfte. Eenzelfde link ligt op tafel voor glyfosaat en tal van vaak gebruikte stoffen binnen onze voedingsindustrie. Geen bijen betekent geen bestuiving en geen bestuiving betekent minder voedsel. Zo zijn er nog verschillende zaken die vandaag binnen de voedingsindustrie standaard gebeuren en op de een of andere manier hun nut hebben, maar wel bedenkelijk zijn met de blik op duurzaamheid.

Onze overheid schiet ruimschoots tekort door geen overkoepelend voedingsbeleid met voldoende aandacht voor gezonde voeding uit te werken en telkens projectmatig te werken rond het onderwerp

Volksgezondheid gaat tenslotte zelfs nog verder dan erop letten dat er geen giftige stoffen terecht komen in eten, de bescherming van onze leefomgeving én het bewaren van de voedselzekerheid. Het gaat ook over de mogelijkheden scheppen voor iedereen om gezond te eten. En daar schiet onze overheid ruimschoots tekort door geen overkoepelend voedingsbeleid met voldoende aandacht voor gezonde voeding uit te werken en telkens projectmatig te werken rond het onderwerp. Dit fipronil-schandaal is daar een voorbeeld van: de ene stof wordt misschien wel verketterd, maar er staat al een heel bataljon vervangers klaar om in het gat te springen dat ontstaat.

Vandaag is er heel wat te doen om fipronil en dat is niet onterecht, maar dit is slechts een topje van de ijsberg. Fipronil is niet de ziekte, maar slechts een symptoom van wat er mis is met onze voedingsindustrie. Zolang er geen duidelijk en rechtlijnig voedingsbeleid komt dat af en toe een machtige industrie tegen de schenen durft schoppen, zal dit niet het laatste ziektebeeld zijn dat plots uitbarst.