Jeanne-Marie Artois wordt geboren in 1762 in een brouwersfamilie met al enig aanzien. Als zij, wars van alle genderconventies van haar tijd, aan het hoofd komt te staan van de brouwerij, is zij de derde generatie Artois die aan de weg timmert. Hoewel haar voorgangers zeker ook geen slecht werk hebben geleverd, neemt de zaak onder haar bewind een vlucht vooruit en op wonderbaarlijke wijze legt ze de basis voor wat we vandaag kennen als biergigant AB-InBev. Hoe ze dat deed, hoor je in de podcast Baanbreeksters, maar een tot de verbeelding sprekende vraag komt daarin amper aan bod: dronk de vrouw achter een van onze internationaal meest gewaardeerde exportproducten eigenlijk zelf wel bier? Het antwoord blijkt niet zo vanzelfsprekend.

Drankenhiërarchie

In de achttiende eeuw consumeert de gemiddelde Leuvenaar alvast zo'n 400 liter per jaar van de gebrouwen drank, of meer dan een liter per dag. Het verhaal wil dat die hoeveelheden zo hoog lagen omdat het veiliger was om bier te drinken dan het in die tijd erg vervuilde water, maar dat is een mythe, aldus biersommelier Sofie Vanrafelghem. 'Om bier te brouwen moet je water inderdaad eerst koken en dat zorgt ervoor dat de bacteriën eruit verdwijnen, maar dat is maar één van de vele stappen die je moet zetten om bier te brouwen. Als het alleen maar een kwestie van overleven was, zouden mensen wel gestopt zijn na het koken van water en dat gedronken hebben. De grootste reden waarom bier gebrouwen en geconsumeerd werd, was omdat het lekkerder was dan water.'

Jeanne-Marie Artois is gestorven zonder ooit maar een Stella-Artois of zelfs pils te hebben geproefd

Dat laatste was voornamelijk iets voor dieren. Zelfs kinderen dronken eeuwenlang gewoon bier, en ook voor bijvoorbeeld gevangenen was een bierrantsoen een evidentie. Je moest al iets heel erg mispeuterd hebben om bij wijze van straf enkel water te drinken te krijgen.

Was water iets voor dieren, dan was bier eeuwenlang iets voor het volk. De meer gegoede klasse dronk immers wijn. Zo waarschijnlijk ook ten huize Artois. 'Ik vraag mij af wat er bij de familie Artois geschonken werd, maar ik hoop toch dat ze hun eigen producten af en toe dronken', denkt Vanrafelghem luidop. 'Gelukkig zie je op beelden uit brouwerijen die het goed deden wel regelmatig dat de eigenaars van hun bier drinken, dus ik zou ook de Artois het voordeel van de twijfel geven.'

Welke soort bier?

Jeanne-Marie zal vermoedelijk wel regelmatig hebben geproefd van de brouwsels van haar onderneming, maar dat was zeker geen frisse Stella-Artois, vandaag het meest geëxporteerde Belgisch bier. Jeanne-Marie Artois is zelfs gestorven zonder ooit een pils te hebben geproefd, want die biersoort werd pas twee jaar na haar dood in 1840 uitgevonden in Tsjechië. De eerste Stella-Artois werd getapt in 1926, toen in de vorm van een tijdelijk kerstbier (vandaar de naam 'stella', Latijn voor ster). Dat sloeg echter zo aan dat het al snel het jaar rond gebrouwen werd.

De bieren die anno 1840 uit de vaten van brouwerij Artois vloeiden, waren van een andere soort. Als Jeanne-Marie af en toe al eens een glas dronk, was dat volgens de gids verlorenbieren.nl vermoedelijk eerder witbier of de plaatselijke amberkleurige, troebele variant met de naam Peeterman. Dat wordt in het Algemeen huishoudelijk natuur zedekundig en konstwoordenboek uit 1778 omschreven als 'een zoort van Wit-Bier, 't welk zeer kragtig is, weinig uitgegest en te Leuwen in Braband word gebrouwen; het zelve is van een aangenaame smaak, dog maakt ligt dronken.' De smaak wordt omschreven als een mix tussen bitter en zoet, maar ook flink zuur. Helemaal zeker zullen we het echter nooit weten, want in de twintigste eeuw ging de kwaliteit van de biersoort zo achteruit dat ze flink inboette aan populariteit en uiteindelijk niet meer gebrouwen werd.

Jeanne-Marie Artois wordt geboren in 1762 in een brouwersfamilie met al enig aanzien. Als zij, wars van alle genderconventies van haar tijd, aan het hoofd komt te staan van de brouwerij, is zij de derde generatie Artois die aan de weg timmert. Hoewel haar voorgangers zeker ook geen slecht werk hebben geleverd, neemt de zaak onder haar bewind een vlucht vooruit en op wonderbaarlijke wijze legt ze de basis voor wat we vandaag kennen als biergigant AB-InBev. Hoe ze dat deed, hoor je in de podcast Baanbreeksters, maar een tot de verbeelding sprekende vraag komt daarin amper aan bod: dronk de vrouw achter een van onze internationaal meest gewaardeerde exportproducten eigenlijk zelf wel bier? Het antwoord blijkt niet zo vanzelfsprekend.In de achttiende eeuw consumeert de gemiddelde Leuvenaar alvast zo'n 400 liter per jaar van de gebrouwen drank, of meer dan een liter per dag. Het verhaal wil dat die hoeveelheden zo hoog lagen omdat het veiliger was om bier te drinken dan het in die tijd erg vervuilde water, maar dat is een mythe, aldus biersommelier Sofie Vanrafelghem. 'Om bier te brouwen moet je water inderdaad eerst koken en dat zorgt ervoor dat de bacteriën eruit verdwijnen, maar dat is maar één van de vele stappen die je moet zetten om bier te brouwen. Als het alleen maar een kwestie van overleven was, zouden mensen wel gestopt zijn na het koken van water en dat gedronken hebben. De grootste reden waarom bier gebrouwen en geconsumeerd werd, was omdat het lekkerder was dan water.' Dat laatste was voornamelijk iets voor dieren. Zelfs kinderen dronken eeuwenlang gewoon bier, en ook voor bijvoorbeeld gevangenen was een bierrantsoen een evidentie. Je moest al iets heel erg mispeuterd hebben om bij wijze van straf enkel water te drinken te krijgen. Was water iets voor dieren, dan was bier eeuwenlang iets voor het volk. De meer gegoede klasse dronk immers wijn. Zo waarschijnlijk ook ten huize Artois. 'Ik vraag mij af wat er bij de familie Artois geschonken werd, maar ik hoop toch dat ze hun eigen producten af en toe dronken', denkt Vanrafelghem luidop. 'Gelukkig zie je op beelden uit brouwerijen die het goed deden wel regelmatig dat de eigenaars van hun bier drinken, dus ik zou ook de Artois het voordeel van de twijfel geven.' Jeanne-Marie zal vermoedelijk wel regelmatig hebben geproefd van de brouwsels van haar onderneming, maar dat was zeker geen frisse Stella-Artois, vandaag het meest geëxporteerde Belgisch bier. Jeanne-Marie Artois is zelfs gestorven zonder ooit een pils te hebben geproefd, want die biersoort werd pas twee jaar na haar dood in 1840 uitgevonden in Tsjechië. De eerste Stella-Artois werd getapt in 1926, toen in de vorm van een tijdelijk kerstbier (vandaar de naam 'stella', Latijn voor ster). Dat sloeg echter zo aan dat het al snel het jaar rond gebrouwen werd. De bieren die anno 1840 uit de vaten van brouwerij Artois vloeiden, waren van een andere soort. Als Jeanne-Marie af en toe al eens een glas dronk, was dat volgens de gids verlorenbieren.nl vermoedelijk eerder witbier of de plaatselijke amberkleurige, troebele variant met de naam Peeterman. Dat wordt in het Algemeen huishoudelijk natuur zedekundig en konstwoordenboek uit 1778 omschreven als 'een zoort van Wit-Bier, 't welk zeer kragtig is, weinig uitgegest en te Leuwen in Braband word gebrouwen; het zelve is van een aangenaame smaak, dog maakt ligt dronken.' De smaak wordt omschreven als een mix tussen bitter en zoet, maar ook flink zuur. Helemaal zeker zullen we het echter nooit weten, want in de twintigste eeuw ging de kwaliteit van de biersoort zo achteruit dat ze flink inboette aan populariteit en uiteindelijk niet meer gebrouwen werd.