Ik eet graag. Dat was al zo toen ik een paar dagen oud was, en dat zal hopelijk zo blijven tot mijn laatste adem. Het feit dat iets dat ik nodig heb om in leven te blijven me intens veel sensueel plezier schenkt, vind ik een van de absolute wonderen der evolutie. Of creatie, als dat meer je ding is. En omdat ik graag eet, kook ik ook graag. De geur van een teentje look, de marinade in een kippenbil masseren, de romige combinatie van citroen, boter en parmezaan in een pastasaus, eten klaarmaken is vaak een van de fijnste momenten van mijn dag.
...

Ik eet graag. Dat was al zo toen ik een paar dagen oud was, en dat zal hopelijk zo blijven tot mijn laatste adem. Het feit dat iets dat ik nodig heb om in leven te blijven me intens veel sensueel plezier schenkt, vind ik een van de absolute wonderen der evolutie. Of creatie, als dat meer je ding is. En omdat ik graag eet, kook ik ook graag. De geur van een teentje look, de marinade in een kippenbil masseren, de romige combinatie van citroen, boter en parmezaan in een pastasaus, eten klaarmaken is vaak een van de fijnste momenten van mijn dag. Toch zijn er momenten waarop koken me zwaar valt. Door een gebrek aan inspiratie, algehele lethargie of gekelderde eetlust. Terwijl ik normaal voor mijn plezier kookboeken doorblader, zijn er periodes waarin ik die dingen het liefst met het oud papier zou meegeven. Meer dan wat kaas en verlepte soep vind je dan niet in mijn koelkast. Het zijn in- en intrieste periodes, en ze duren meestal niet lang. Mijn eetlust is behoorlijk veerkrachtig en voor lethargie heb ik weinig talent. Maar gebrek aan inspiratie durft weleens langer te duren. Tot nu toe probeerde ik mijn verwaarloosde kookvuur op zo'n moment weer aan te wakkeren door nieuwe kookboeken te bestellen of nieuwe ingrediënten uit te proberen. Witte miso of zwarte look, iemand? Maar misschien pak ik het verkeerd aan. Tamar Adler stelt in haar lyrisch geschreven An Everlasting Meal de vraag hoe je na een donkere periode weer (of misschien zelfs voor het eerst) verliefd kunt worden op koken. Zij vindt het antwoord diep in zichzelf, in haar verleden of in andere grote liefdes. 'Iedereen heeft zijn liefdes,' schrijft ze, 'die van mij zijn eten en woorden. Andere mensen houden van de manier waarop een gebouw weg van een donker voetpad helt of genieten van het oplossen van een wiskundige vergelijking. Laat je liefdes je liefdes zijn en kijk of ze je niet kunnen terugleiden naar wat je at terwijl je ze liefhad.' In kookluwten helpt het haar om aan dingen terug te denken die ze vroeger gegeten heeft. Niet vanwege dat eten, maar omdat het licht zo mooi binnenviel in de keuken, omdat de achtergrondmuziek troostend was of omdat het geluid van glas op een marmeren tafel herinneringen aan goed gezelschap oproept. Ze weet niet meer precies wat ze gegeten heeft, maar koestert wel het gevoel dat die maaltijd opriep. 'Wroeten in de geluiden en gevoelens van vroeger wortelt mijn toekomstige maaltijden in de onveranderlijke waarheden uit mijn verleden.' Terwijl ik haar smakelijke essays lees, stromen de indrukken binnen. Mijn moeder, die vond dat elk probleem minder onoverkomelijk werd als je een spiegelei over een in boter gebakken dubbele boterham drapeert en er een snuifje zout op doet. De kaken en kelen van een kabeljauw in smeuïge witte saus die mijn mémé op vrijdag serveerde met boterige puree en die mijn hele kindertijd lang het weekend inzette. Een tomatenstoofpot waarin sappig rundvlees en aardappelen verdrinken in tomaten en peterselie, een combinatie die als geen ander smaakt naar de zomer. De nucleaire kleur die mosterd aan een witte boterham geeft, voor je er een plakje kaas op legt en waar ik - toen ik nog witbrood at - altijd om moest glimlachen. Natuurlijk heeft ze gelijk, deze Amerikaanse food writer, de weg naar ons kookhart ligt in het verleden, niet in nieuwigheden. Hallo tante Mireille, zat er eigenlijk een scheutje witte wijn in die witte saus?