De schokgolf na de recente beelden van Animal Rights in een Antwerps pluimveebedrijf was al minder uitgesproken dan toen vorig jaar enkele varkensslachthuizen in opspraak kwamen. Niet noodzakelijk omdat de dieren - vleeskippen in dit geval - minder hardhandig worden aangepakt. Wel omdat het de zoveelste beelden op rij zijn die aantonen dat er iets grondig scheelt met de vleesindustrie. Dat wisten we toch al?
...

De schokgolf na de recente beelden van Animal Rights in een Antwerps pluimveebedrijf was al minder uitgesproken dan toen vorig jaar enkele varkensslachthuizen in opspraak kwamen. Niet noodzakelijk omdat de dieren - vleeskippen in dit geval - minder hardhandig worden aangepakt. Wel omdat het de zoveelste beelden op rij zijn die aantonen dat er iets grondig scheelt met de vleesindustrie. Dat wisten we toch al? En toch reageren we keer op keer verbaasd. Enerzijds omdat de beelden schokkend blijven en anderzijds lijken we opnieuw geen flauw benul te hebben van wat er zich achter de schermen afspeelt. Want wat niet weet, wat niet deert. We geven u in het kort het verhaal van de plofkip mee: de dieren transformeren op zes weken tijd van kuiken tot kiloknaller. Hoe meer de kip weegt, hoe beter, want de boer wordt per kilo betaald. Eenmaal ze een gewicht van ongeveer 2,2 kilogram bereiken, worden ze met vrachtwagens naar het slachthuis vervoerd. Dat gebeurt 's avonds of 's nachts omdat de kippen rustiger zouden zijn. Maar nog belangrijker is het gebrek aan verkeer. Vrachtwagens volgestouwd met slachtrijpe kippen komen maar beter niet in een file terecht.Het gevolg? Levende dieren worden bijeengeraapt, geschopt en hardhandig in vervoercontainers geduwd alsof het knuffelbeesten zijn. Afgedankte knuffelbeesten weliswaar. Het strakke tijdsschema verplicht de vangploegen en de kippenboeren om snel te werk te gaan. Dat gaat gepaard met de nodige stress. Gebroken kippenpoten en -vleugels zijn het minste van de vangploeg hun zorgen. Bovendien zijn er geen instructies opgenomen in de Belgische of Europese wetgeving over de wijze waarop vangploegen kippen moeten optillen, dragen en in de containers plaatsen. De tijdsdruk regeert. Zo sterven er gemiddeld drie op de duizend kippen tijdens een van de fasen van het transport. Gebroken poten en vleugels worden daar natuurlijk niet bijgeteld. Dat betekent dat bij een stal van gemiddeld 50.000 kippen er 150 kippen niet eens het slachthuis bereiken. De overlevers hangt men ondersteboven aan slachthaken waarna ze door middel van een elektrisch geladen waterbad verdoofd en vervolgens gekeeld worden. Daar is niet zoveel diervriendelijk aan, maar de methode is snel, effectief en biedt een antwoord op de grote vraag. In totaal zijn er iets meer dan 900 Belgische vleeskippenbedrijven die - gedreven door winstbejag, commerce en een harde concurrentiestrijd- al snel tot 20.000 à 50.000 plofkippen per ronde grootbrengen. Omdat een ronde zes weken duurt en de stal minstens een week vrijstaat om volledig gereinigd te worden, zijn er in totaal zo'n zeven ophaalrondes per jaar. Een vermenigvuldiging van die getallen levert een product van 300 miljoen plofkippen op. Dat zijn er 27 per persoon of 500 geslachte kippen per minuut. Een deel wordt naar het buitenland geëxporteerd, de rest belandt versneden in de winkelrekken. We kunnen dus wel stellen dat kippenvlees geliefd is. De Belgische vleesconsumptie bestaat gemiddeld voor dertig procent uit gevogelte. Hoe ongezonder bewerkt en rood vlees blijkt te zijn, hoe populairder kippenvlees wordt. De Belg consumeert bewuster en de pluimveesector groeit. Elk voordeel heeft een nadeel. Ook de voordelen van een vegetarisch of flexitarisch dieet zijn gekend. Toch kan de overgrote meerderheid van de Belgische bevolking nog steeds geen afscheid nemen van zijn dagelijks stukje vlees. Zeven procent van de Belgen eet nooit vlees, negen procent eet minstens drie keer per week vegetarisch. De overige 84 procent geniet minstens vier op zeven van een lekker stuk vlees. Om dan verwonderd en onthutst te zijn over het (gebrek aan) welbevinden van de nog levende exemplaren. De vleesindustrie is er eentje gelijk een ander. Ze tracht aan de vraag te voldoen. En de Belg lijkt er zijn stuk kipfilet niet voor te laten.