Column

‘In het verleden geloofden we dat de toekomst wereldvrede zou brengen en vliegende auto’s’

De tram die ik wou halen, verdwijnt knarsend en met grijnzende achterlichten in het duister. De volgende brengt mij naar het station van Gent-Sint-Pieters, waar waterspuwers loeren met hoofden als duivelse monsters. ‘CREMATORIUM’, lees ik op een autobus vol mensen met mondmaskers. Het doet mij denken aan de dichter die een verhaal schreef met als titel: Het Nut van het Openbaar Vervoer. Hij haalde zijn tram, maar stierf op zijn eenentwintigste aan een overdosis cocaïne.

Gent-Sint-Pieters, weet de autist in mij, is het op drie na belangrijkste station van België. De straten in de buurt zijn vernoemd naar lui van koninklijken bloede. Het Maria Hendrikaplein dankt zijn naam aan de echtgenote van Leopold II, de minst beminde der Belgische vorsten. Ik zoek Maria Hendrika’s levensloop op terwijl ik wacht op een croissant die zijn geld niet waard lijkt. ‘Het was geen gelukkige verbintenis,’ lees ik, ‘en na de dood van hun zoon begon het huwelijk te verzuren. De vorstin was een uitstekende amazone en had volgens sommigen het talent om paarden te dresseren. Ze stierf alleen en ongelukkig in haar kasteel te Spa aan de gevolgen van een hartaanval.’

In het verleden geloofden we dat de toekomst wereldvrede zou brengen en vliegende auto’s.

Als je je in een leven verdiept, loert er soms een paard maar altijd tragiek om de hoek. Ik denk aan mijn gesprek van onlangs met de weduwe van een jeugdvriend die glansloos aan zijn einde kwam. Nadien reed ik door de straat waar mijn grootmoeder stierf. Het was koud en donker, de maan strooide het soort licht uit dat weleens vaal wordt genoemd. Het ziekenhuis bleek afgebroken, maar er was de belofte van nieuwe gebouwen. Op de afsluiting toeterde een projectontwikkelaar: ‘Benieuwd wat hier gaat gebeuren?’ Niet echt. De toekomst is eenheidsworst, maar naar het verleden voel ik vaak een onredelijk soort heimwee.

Als ik aan vroeger denk, komt spontaan het woord ‘vriendelijk’ in mij op en vervolgens iets met stof dat danst in de zon. Alles leek gemoedelijker, van de energiefactuur tot de snuiten van de autobussen. Als de postbode – we noemden hem het bootje – mijn grootmoeder haar pensioencheque bracht, kwam hij binnen met blozende wangen. Hij ging zitten en dronk een druppel, zoals een shotje destijds werd genoemd. Soms vraag ik mij af wanneer postbodes gestopt zijn met het drinken van druppels. Is het sinds we ons niet meer zonder koptelefoon buiten wagen, uit schrik dat iemand een gesprek zal aanknopen? Of sinds we niet meer op de Sint kunnen wachten om de kerstboom te tooien? In het verleden leek de toekomst vrolijker. We geloofden dat ze wereldvrede zou brengen en vliegende auto’s.

Met die dwaze gedachten verlaat ik de buurt van de gekroonde hoofden. Op een lichte vrachtwagen moedigt een kip met opgestoken duim en vette knipoog de consumptie van haar soortgenoten aan. Had ik het voor het zeggen, ik vernoemde alvast een plein naar Greta Thunberg. Zij is een strijder van het licht en een hedendaagse heilige, maar mist volgens mij het talent om paarden te dresseren.

Het bootje, overigens, dronk zoveel druppels dat hij in een delirium sukkelde. Naar het schijnt zag hij overal poststukken zonder bestemmeling.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content