Column

‘Het is geen goed teken als de dichters en de mussen sterven’

Jean-Paul Mulders mijmert in zijn column over de dingen des levens.

Wat het nieuwe jaar gemeen heeft met het oude, is dat de haren gewoon uit je hoofd blijven groeien. Om dat verschijnsel binnen de perken te houden, ga ik op bezoek bij kapper K. Hij is voorbij de tachtig en veruit de oudste actieve coiffeur van het land. Volgens mij heeft hij ook het mooiste salon. De tijd staat er stil, ondanks de staande klok die onvermoeibaar de seconden wegtikt. Er is hout en marmer uit de dagen van Charles Dickens. Er zijn flesjes en ampullen vol geheimzinnige vloeistoffen. Ze doen denken aan Love Potion Number Nine, dat rare liedje van The Searchers.

Kapper K. had in zijn leven weinig nood aan liefdesdranken. Hij was wat je noemt gelukkig getrouwd. Tien jaar geleden is zijn vrouw gestorven, net toen ze aan zee wilden gaan wonen om te genieten van een welverdiende rust. Hij heeft toen besloten om koppig door te werken en zijn verdriet weg te knippen.

Het is geen goed teken als de dichters en de mussen sterven.

We hebben het over het weer, maar ook over het onbarmhartige jaar dat voorbij is. Zijn zus en haar man zijn aan corona gestorven en ook zijn beste vriend is hem ontvallen. ‘Pancreaskanker’, zegt kapper K. ‘Vijftig jaar lang liet hij zijn haar bij mij knippen. De laatste keer had hij zes flessen champagne van een goed merk mee.’

Hij morrelt aan zijn tondeuse en werpt een bleke blik in onbestemde verten. ‘Het is lastig om iedereen te zien vertrekken.’

Ik denk aan de dichter die is heengegaan, en met wie ik vroeger aan dezelfde desk bij de krant zat. Ik las het interview waarin een andere dichter openhartig sprak over uitzaaiingen. Dat vond ik al een akelig woord toen ik het als kind voor het eerst hoorde. Je verwacht van zaaisel dat het leven doet ontkiemen in plaats van het te belagen. Soms zegt men achteraf: het was een verlossing – een woord waarin geboorte en dood elkaar onwennig aanraken.

Het is geen goed teken als de dichters en de mussen sterven. Terwijl kapper K. zijn scheermes op een leren riem wet, dwalen mijn gedachten af naar Hendrik Marsman. Hij kwam om het leven in 1940 toen het vrachtschip verging waarmee hij het oorlogsgeweld wou ontvluchten. In het gedicht De Overtocht voorzag hij dat vijftien jaar eerder op griezelige wijze.

We’re going to Ibiza. We’re gonna have a party’, schalt nu vrolijk uit de radio. Kapper K. houdt van dansmuziek en smartlappen. De feestdagen heeft hij alleen doorgebracht, ‘want dat is iets tussen mij en mijn vrouw’. Gelukkig is er nog zijn dochter, met wie hij elke ochtend en elke avond belt. ‘Het is jammer dat ze geen kinderen heeft’, zegt hij. Toch blijft hij genadig voor het kroost en voor de uitspattingen van anderen. Toen de uitbaters van het aanpalende café hem vorige zomer vroegen of ze een terras voor zijn deur mochten zetten, stemde hij toe. ‘Ge kunt daar niet tegen zijn. De jonge gasten hebben het al moeilijk genoeg.’

Zoiets neemt mij in voor kapper K., die vernauwingen overleefde en een verknoping van de darmen. Sindsdien doet de gedachte aan de dood hem de schouders ophalen. ‘Ze zeggen in Gent’, grijnst hij: ‘Er is geen vérken dat zo oud wordt.’

Het is maar een flauw grapje. De klok tikt en toch moeten wij schaterlachen.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content