Queeste naar de quetzal

30/12/14 om 04:34 - Bijgewerkt om 04:33

De costa rica of rijke kust, en een weelderig binnenland met regenwouden, moerassen, vulkanen en nevelbergen. Met een overrompelende biodiversiteit is Costa Rica een bedevaartsoord voor vogelaars en natuurliefhebbers. Wie geluk heeft, ontdekt tussen de 850 vogelsoorten de mythische quetzal.

Queeste naar de quetzal

© iStockphoto

Daar! Na drie dagen speuren, strijden vreugde en verbazing om voorrang: tussen het gebladerte dansen en zingen ze, onophoudelijk dartel en oogverblindend schoon, ze baltsen en bereiden zich voor op een paring die we niet zullen zien. Zodra het zachtgroene wijfje de lek of de tuin van verleiding bezoekt, begint het mannetje in onze nationale driekleur met zwart lijf, vuurrode kop en gele dijen te pronken als een ijdeltuit. Negen centimeter, amper twaalf gram, wat een futiel vogeltje.

Maar zo gracieus: op een tak huppelt hij heen en weer, hij strekt zijn pootjes, om de paar seconden wipt hij met een schichtige vlucht naar een andere twijg, hij zingt en jubelt, de vleugels snorren, hij maakt een ommezwaai en Casanova begint aan zijn ultieme verleidingstruc, sneller dan Michael Jacksons Moonwalk: een achterwaartse schuiver met de kop naar beneden, de staart en zijn kontje pronkend geel omhoog als een volleerde ballerina, die triomfantelijk de vleugels omhoog werpt alsof hij wil zeggen 'kom in mijn armen, schatje'. Wat een magische theateract!

Queeste naar de quetzal

© iStockphoto

Dat ik dit koppeltje manakins überhaupt zie (in de ornithologische standaardtaal Pipra mentalis ignifera), heeft tijd, geduld en speurwerk gekost. Maar de voldoening van die ene zeldzame waarneming is groot. Zo diep in het maritieme regenwoud van Corcovada, dat alleen over zee bereikbaar is, vind ik bijna driekwart van de 850 soorten vogels, die het kleine Costa Rica bewonen. Daar is deze geelbroekmanakin er eentje van. En omdat geluk altijd onverwacht komt, krijgen we even later nog een geschenk: daar huppelt met een felblauwe kruin een blue-crowned manakin: gracieuze esthetiek in vogelland.

Corcovado

Costa Rica is een bedevaartsoord voor vogelaars. Halfweg de istmus die Noord- en Zuid-Amerika verbindt, vormt het een begenadigde landbrug tussen beide continenten, want met twee kustlijnen, vulkanen en verschillende bostypes is het een hoorn des overvloed met vijf procent van alle leven op aarde. Nauwelijks groter dan Nederland telt Costa Rica negen klimaatzones met een rijkdom van 232 zoogdieren, 440 reptielen en amfibieën, 120 kikkers, tienduizenden insecten en 1240 vlinders. En natuurlijk 850 vogelsoorten. In die weelderige tuin is Corcovado (de Bultenaar) met vochtig laaglandwoud de rijkste biotoop langs de Stille Oceaan.

Op schiereiland Osa is het nationaal park enkel bij gunstige weersomstandigheden met een stevige boot bereikbaar. Voorbij de onstuimige branding, de stroming en de wilde golven zijn we net op tijd om een paar dozijn lederschildpadden uit ei en zand naar zee te zien kruipen, 'tortugas' die zullen uitgroeien tot 's werelds grootste zeeschildpadden en met veel geluk over dertig jaar terugkeren om op hetzelfde strand met hun eieren de cirkel van het leven rond te maken.

In de lodge is de verwondering veelzijdig: overweldigende bomen, torenhoog of bezaaid met bromelia's en epifyten, reuzenvarens, boomwurgers die rond stammen kronkelen; licht of donker; stilte of even dreigende geluiden; lianen en mossen als spookgordijnen; een groene zee van heliconia's, orchideeën en aronskelken; en zingende vogels die onzichtbaar zeer nabij zijn.

Queeste naar de quetzal

© iStockphoto

Drie dagen dolen door het regenwoud, drie dagen blijdschap: wilde varkens trekken in groep voorbij, op een tak kruipt een boa, hoog in een boom slaapt een Mexicaans stekelvarken, een schichtige tijgerroerdomp staart me wantrouwig aan, als een betoverende schoonheid fladdert een fluorescerende Blue Morpho of uilvlinder tussen de bladeren, en bij het afscheid heb ik alle apen van Costa Rica in de kijker gekregen: brul- en slingeraap, de kapucijnaap en nog een geel doodshoofdaapje, met ogen zo groot en een lijfje zo klein. Corcovado is even onheilspellend als bekoorlijk, even mysterieus als verleidelijk.

Schatten aan leven

Op een stronk in het vochtige woud van Braulio Carrillo NP geurt de Cattleya skinneri, de purperen orchidee of guavia morada als Costa Rica's nationale bloem. Zoals elders is de verscheidenheid groot : met costa rica gaf Columbus in een opwelling van enthousiasme het land zijn naam. Meer nog dan aan de kust is de variatie aan planten en dieren in het binnenland duizelingwekkend. Zo kort de afstanden, zo lang de reistijden aan weerszijden van de Panamericana. Koffie- en theeplantages, joelende schoolkinderen, stenige pistes door de bergen. Een neusbeer loopt snuffelend over de weg.

Zo reis ik van de parques nacionales naar de reservas biológicas, elk met een andere hoogteligging en vegetatie, van het mangrovebos van Isla Damas naar het regenwoud van Carara en het moeras van Caño Negro, van droog bos en bergbos naar nevelwoud, naar de paramo en de hoogste pieken van het Chirripo NP. Dat is de biologische schatkamer van Costa Rica, met wonderlijke waarnemingen, van kolibries met verbluffende namen tot de schuwe schuitbekreiger in Tortuguero. Waar eerst te beginnen?

Tussen tijgerkrabben en krokodillen wijst Jorge naar een uitzonderlijke ontmoeting: in een boom slaapt een dwarf ant-eater of goudbruine dwergmiereneter. Krijg je nooit te zien. Als ik in onhandig Spaans met lagarto naar een kanjer van een leguaan wijs, verbetert mijn gids mij met lagartijo: het is de gewoonte van Costa Ricanen om voor alles verkleinwoorden te gebruiken.

Queeste naar de quetzal

© iStockphoto

Bij de brug over de Rio Grande de Tarcoles wacht ik om vijf uur op de loros: vier rode ara's met geel in de vleugel scheuren als vuurballen door de hemel. Prachtig en vredig. Een nacht later oogst ik met gids Freddy een schoon lijstje bijeen in Carara: een minuscule kikker, groen en zwart, Dendrobatus auratus of gouden gifkikker. Of de rode aardbeigifkikker met blauwzwarte achterpootjes. "De kikker met de bluejeans", lacht Freddy. Opgepast, een kleine omweg voor de terciopelo of bruingeel gevlekte lanspuntslang die geldt als het giftigste reptiel in het woud. En alweer tal van vogels, van briluil en witsnorbaardkoekoek tot een roodkruinspecht en een purpermaskertangare. Alleen de namen al !

Vulkanen

Met rijst en bonen, spiegeleieren, gebakken banaan, palmharten en de lokale saus Salsa Lizano is het klassieke gallo pinto een ontbijt zonder verkleinwoord : stevige kost. Hoewel de barman de koffie alweer tot cafesito verkleint. Zo noemen ze ook zichzelf ticos, een afkorting van hermaniticos of kleine broers. Op de achtergrond kucht de Arenalvulkaan grijze wolken in de hemel. Natuurgeweld op veilige afstand.

Centraal-America bestond niet, tussen de twee continenten deinde niets dan water. Langzaam ontstond een archipel van eilanden door de beweging van tektonische platen en vulkanen, die in een eindeloos proces van drie miljoen jaar de fameuze landbrug hebben gevormd.

Als een oude, maar vinnige man ligt de conische Arenal omhuld in een wolkenmeer. Rondom mijn ontbijtterras zoemen tientallen kolibries. Terwijl ik vertwijfeld probeer de picaflores of razendsnelle bloempikkers een naam te geven, houd ik mijn oog op de vulkaankegel gericht. Kolibrienamen zijn even fantastisch als hun verenkleed : purperkeel-juweelkolibrie, streepstaartkolibrie, groene heremietkolibrie, groenkruin briljantkolibrie, koperkop smaragdkolibrie, Costa Ricaanse boself, poëtischer kan niet.

Plots gerommel, een doffe plof van een uiteenspattende gasbel, een galm die de steile wanden van de Arenal afrolt, maar de vogels al lang niet meer verontrust. Een wolk van lava en as spuwt de hemel in, wolken groeien en zwellen, het is een kuch van Moeder Aarde. Een eerste eruptie : een rookpluim slingert als een sluier door de blauwe lucht.

Andere spuwers liggen in de vulkaanparken van Irazu, Poás en Rincon de la Vieja. Een kronkelweg trekt de mist in, boven op de kraterwand is het zicht nul: op een hoogte van 3432 meter verdwijnt de moddergele Irazu in het niets, toegedekt door een dik neveldeken. Toch vertrek ik niet helemaal ontgoocheld, want ik heb in de mist met de roetlijster en de vulkaanjunco toch twee nieuwe vogeltjes ontdekt. In Costa Rica is geen enkele tocht vergeefs. Van de Poás, de vulkaan bij hoofdstad San José, zeggen ze dat hij met een krater van 1500 meter de grootste mond ter wereld heeft. Ook nu verstoren dikke nevels het zicht, maar geduld trotseert soms de elementen : als het gordijn opentrekt, kijk ik in een dampend groene en stomend bruine kookpot van Moeder Aarde.

Daar is hij!

Vroeg slapen, vroeg opstaan: ook dat is een uiting van pura vida, het wonderlijke leven, de gevleugelde woorden waarmee Costa Ricanen de vraag beantwoorden hoe het met hen gaat. Pura vida is de filosofie van dit land in een notendop: intens straatleven, de rijkdom van natuur, geluiden en kleuren, een gevarieerde keuken, de pracht van landschappen, de verwondering over dieren en vogels. Even intens is baldazo: het lokale woord voor hevige regen: het is een van de meer dan duizend costariqueñismos die het algemeen beschaafd Spaans heeft verrijkt.

Queeste naar de quetzal

© iStockphoto

Op de hellingen rond het gehucht Monteverde valt bijna zes meter regen per jaar, de heuvels schuilen in eeuwige nevels. De straten dampen, de hemel klaart langzaam op. Om halfvijf in de vochtige morgen heb ik afspraak met Sergio, de vermaarde vogelgids voor de Monteverde Cloud Forest Reserve, het nevelwoud dat de thuis is van de mythische quetzal.

Alle begin is goed: de eerste gespotte vogel is een trogon met oranje buik. Zangers laten zich horen : de zwartmasker-solitaire, de zilverkeeltangare. Geruisloos schuiven we door nevelwoud met epifyten, bromelia's en avocadobomen: de lievelingskost van de quetzal, al eet hij ook hagedissen, kevers en fruit. Twee uur lang speuren we in het bladerdak. Daar een smaragdarassari, zoals die alleen hier groen kan fonkelen.

En ginds, nee..., ja daar : "Quetzal", fluistert Sergio alsof hij een toverspreuk prevelt. Volstrekt stil zit in het dichte gebladerte een wijfje, even bewegingsloos iets verder een groen mannetje met glanzend rode borst. Wat ik niet gezegd krijg, fluistert de adrenaline me toe: Resplendent Quetzal, een kunstwerk met een gekuifde kruin en immens lange staartveren.

Met zoveel glinstering, zoveel trots en oneindig briljante schittering is de quetzal in Centraal-Amerika de meest vereerde vogel. Hij is Quetzalcoatl, de gevederde slang als de god van het goede, bij Tolteken en Azteken. Voor de Maya's in hun tempels is hij Kukulkan. Toen Montezuma de paardrijdende Cortez noodlottig ontving, droeg hij een hoofddeksel met pluimen van de vogel. Hij is ook de nationale vogel van Guatemala, waar de munt naar de quetzal is genoemd, hij siert bankbiljetten en burgers worden geëerd met de Orde van de Quetzal.

Ooit heb ik in het Mexicaanse Chiapas drie dagen vergeefs naar de quetzal gezocht. Ook in Guatemala is hij met uitsterven bedreigd. Enkel in de hooglanden van Costa Rica en Panama is deze primitieve trogon nog vrij algemeen.

Maar daar zit hij! Na veel omwegen bewonder ik hem deze ene ochtend: een geschenk van Costa Rica. De vogel richt zich op en zweeft geruisloos weg tussen takken en nevels. De queeste naar de quetzal is voorbij.

Mark Gielen

Lees meer over:

Onze partners