De rode vonk in Indian Summer

16/05/14 om 13:32 - Bijgewerkt om 13:32

Bron: Knack Weekend

De Ronde van New England, met bergetappes, wandel- en fietstochten, en luie dagen aan de oceaan, terwijl de wouden dag na dag geler, oranjer en roder kleuren. Indian summer in het uiterste noordoosten van de VS.

De rode vonk in Indian Summer

© Thinkstock

We komen aan in Boston, Massachusetts, met de bus uit New York. Totaal fout, natuurlijk. Wie een beetje respect heeft voor de geschiedenis neemt in het Britse Southampton een zeilschip, dat het liefst The Mayflower heet, zet koers naar Noord-Virginia en strandt daarna stomweg op Cape Cod. Zo reisden de Pilgrim Fathers in het begin van de zeventiende eeuw. Maar zij kwamen New England niet bezoeken, ze stichtten het, als veilig schuiloord tegen de Engelse staatskerk, die ze niet beginselvast genoeg vonden.

New England, in het noordoosten van de VS, tussen New York en Canada, is een cluster van zes staten: Connecticut, Maine (veruit de grootste), Massachusetts (het economische hart), New Hampshire, Rhode Island en Vermont. De naam van de regio stamt nog uit de tijd dat de Puriteinen uit Engeland hier een nieuw leven startten.

Naar Amerikaanse normen is Boston zeer oud, veel patriottische verhalen refereren aan de stad. De Boston Tea Party is wellicht het beroemdst: om de bezettingsmacht te breken gold een boycot op Engelse producten, met als climax het overboord kieperen van een scheepslading thee. Terloops : de conservatieve vleugel van de Republikeinen die in 2008 opnieuw kwam aanzetten met een Tea Party heeft met die historie niets te maken, behalve dat die naar eigen zeggen net zo goed ageert tegen een 'bezettingsmacht', in dit geval de regering-Obama.

We volgen de Freedom Trail - een vier kilometer lange rode markering over de voetpaden - langs plekken die een rol speelden in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-'83). De Boston Common bijvoorbeeld, nu een park waar eekhoorns ons tijdens de picknick proberen te bestelen, maar in de strijd een Engels legerkampement en executieplaats. Of Old Granary, een begraafplaats voor revolutionairen, een klas pubers krijgt er een hele lijst nationale helden opgesomd.

Aan Quincy Market, destijds een geheime vergaderplaats, is de kans groot dat je de geschiedenis laat voor wat ze is, daar zorgt de lange rij winkeltjes, pubs en restaurants wel voor. Opvallend: geschiedenis is een relatief begrip. Acorn Street, een stukje 'authentieke kasseiweg' uit de negentiende eeuw wordt gekoesterd als was het een Romeinse heerweg.

Over de Interstate 95 zoeven we zachtjes richting Maine, in het gezelschap van The Eagles, Emerson Lake and Palmer, Van Morrison, Fleetwood Mac en andere stamgasten van The Bridge, een radiostation met en voor oldies. Hier en daar liggen platgereden dieren op het asfalt, nog herkenbaar in het design van de tapijtjes: meestal wasberen en stinkdieren. Onderweg speuren we naar gele, oranje of rode kruinen, de beroemde herfstkleuren van New England. De vurigste tinten laten nog op zich wachten, wellicht vinden we ze later, dieper landinwaarts.

Maine, aan de kust, is republikeinser dan de andere New Englandstaten, misschien dankzij het vakantiehuis van de Bush- familie in Kennebunkport. Het antracietgrijze optrekje, eigenlijk een half dorp op Walkers Point, oogt niet eens zo extreem flamboyant, vergeleken met de andere kasten langs Ocean Avenue. Het lokale vastgoedkrantje biedt een ruime keuze : tussen één en zes miljoen dollar vind je wel iets. Of je trekt verder noordwaarts, richting Bar Harbor.

Ook Bar Harbor was ooit een vissersdorp, nu is het een toeristenfuik vlak bij Acadia Park. Het dorp is een snoer van kreeftenrestaurants, galeries en souvenirshops. Met open deuren lokken ze de langsslenterende cruisetoeristen. Vandaag liggen er liefst drie reuzen voor anker, goed voor achtduizend shoppers, of twee per dorpsbewoner. Op de kade vind ik een bordje dat eraan herinnert dat kreeft nog niet zo lang geliefd is. Tot ver in de negentiende eeuw was die alleen maar bijvangst, voer voor gevangenen en huispersoneel.

We beloven onszelf vanavond gevangeniskost, een dag fietsen in Acadia Park zal de appetijt zeker aanscherpen. Op de landkaart lijkt dit schiereiland van Maine op een aan flarden gevreten esdoornblad. De reuzenrupsen waren de gletsjers die in de bodem hapten tot alleen het hardste graniet overbleef. Het rotslandschap opent voortdurend nieuwe gezichten : we fietsen door een dicht loofbos, nog zonder de Indian-summerkleuren, achter de bocht wacht een panorama met duizend eilandjes (en uiteraard de drie cruises), we peddelen langs een binnenmeer waar een schildersklas net een openluchtworkshop houdt, een korte steile klim later stoppen we bij mosformaties in wit, geel en twintig tinten groen.

In de negentiende eeuw werd dit gebied rond Cadillac Mountain het zomerparadijs voor de New Yorkse happy few. De Rockefellers, Fords, Vanderbilts en andere Pulitzers streken er neer, bouwden imposante cottages en zorgden ervoor dat de natuur bewaard bleef, voor henzelf in de eerste plaats. Ze schonken grote stukken land aan een fonds (John D. Rockefeller doneerde in één pennenstreek 10.000 acres of 40 km²) en lieten een parcours aanleggen, inclusief zeventien imposante granieten bruggen, om per paardenkoets het park te verkennen. In 1947 slokte een bosbrand alle exclusieve zomerpaleizen op, Acadia Park zou nooit meer bewoners krijgen. Vandaag liggen Rockefellers granieten bruggen er enkel voor wandelaars en fietsers.

De Amerikanen mogen dan wereldrecordhouder fastfood zijn, koken kunnen ze echt wel. Dat bewees de kok van Emerson Inn by the Sea in Rockport al, vanavond doet zijn collega in Galyn's nog beter. In vrijwel het enige restaurant waar de mensen van Bar Harbor zelf te gast zijn, komt het beste uit de zee op tafel. Met zijn sint-jakobsnoten en kreeft overtreft Galyn's alle verwachtingen. Voor morgen hoeven we zelfs geen ander adres te zoeken.

De klimauto's

In Conway, New Hampshire, nemen we onze intrek in Merrill Farm. De dikke eik voor de deur heeft het allemaal weten groeien : van boerderij naar een van de populairste resorts in de White Mountains. Hier een motelvleugel, daar een annex en een verbouwde schuur, een paar chalets verderop, een zwembad en sauna.

De Mount Washington in de buurt is voor de farm een non-stop publiekstrekker. Met zijn bijna tweeduizend meter is hij de hoogste berg van New England en hij staat bekend om zijn gure en om zijn romantische trekjes. Ooit werd boven -40° gemeten, en een windsnelheid van 372 km/uur, een wereldrecord. De berg was ook de lieveling van de schilders van de White Mountainschool, talloze keren is hij gekonterfeit als middelpunt op aandoenlijke landschapstableaus.

Wandelaars moeten zelf zoeken naar hun pad, aan de voet van de berg mogen zich alleen auto's aanbieden. De klim kost 24 dollar, maar daarvoor krijg je wel een halve meter lange bumpersticker cadeau : This car climbed Mt Washington. Een waanzinnig steile weg spiraalt tot boven de boomgrens, tot waar Canada in beeld komt. Zou moeten komen, want zoals de wet van Murphy het voorschrijft, schuift ook vandaag een grijs wolkendek voorlangs.

De oostkant van de berg wordt elke winter zo zwaar toegetakeld - tot zeven meter sneeuw en recordwinden - dat de asfaltweg elke lente verdwenen blijkt. Sinds enkele jaren wordt die Cragway Drift niet meer heraangelegd, een strook grind moet maar volstaan. Dat maakt de klim en de afdaling net zo avontuurlijk. Boven staan toeristen geduldig in de rij voor een foto bij het bordje Summit of the Mt Washington.

Op de terugweg naar Merrill Farm spotten we een van de overdekte bruggen, zoals er in New Hampshire en Maine wel meer bewaard zijn gebleven. De volksmond is vergeten waarom die ooit zijn gebouwd. Volgens één uitleg omdat de koetspaarden telkens bang waren op een open brug, het wegdek sneeuw- en ijsvrij houden is een tweede verklaring, maar de derde optie klinkt wel zeer aannemelijk : geld ! Het waren tolbruggen. Zo'n brug is er ook bij The Flume, een twintig meter brede kloof, een misverstandje tussen basalt en graniet, miljoenen jaren spectaculair uitgediept door het water.

Old England

In Ludlow, Vermont, worden we verwacht in het victoriaanse landhuis The Governor's Inn. We stappen van New meteen Old England binnen: diepe oorfauteuils, ovale portretten tegen de muur, dikke tapijten op parket, een kristallen tafelbel, vitrinekastjes, porseleinen servies en zilveren bestek. En Jim, de innkeeper met Brits flegma. Het houten pareltje werd in 1890 gebouwd voor gouverneur William W. Stickney, die van hieruit veertig jaar de staat van de Green Mountains zou besturen. Zelfs de gastencomputer heeft zich een negentiende-eeuws tempo aangemeten.

Morgenochtend zullen we in datzelfde tempo ontbijten. Jim serveert een excellent driegangenontbijt, we doen er nipt anderhalf uur over. Tussendoor geeft hij zijn visie op de geel-oranje-rode herfst : "Dit jaar zien we het diepe rood niet in de bossen. Hoe natter september is, hoe roder de esdoorns. Denk ik. Sommigen beweren dat een vroege nachtvorst voor kleur zorgt." Stoïcijns rondt hij af: "Geen idee, ik bekijk het jaar na jaar."

We kiezen een makkelijke wandeling rond het meer in Londonderry. De Ieren onder onze lezers zullen het niet geloven, maar Londonderry ligt in de buurt van Dover, en van de dorpen Peru en Jamaica. Vermont heeft ook een Ira, Athens, Montpelier, Westminster, Plymouth, Woodstock, Jericho en Eden. Je kunt zelfs naar Cavendish. En overal tref je dezelfde oranje pompoenstapels.

Halverwege de wandeling aan het meer duikt een soort bosgeest op, die zich voorstelt als Mary Ann. Lange witte haren, een zwarte enkellange jurk, en aan haar zij : één witte en één zwarte poedel. Elke dag wandelen ze hun tien kilometer, het liefst in de late zomer. "Van eind oktober tot april ligt er sneeuw, en daarna, in wat jullie de lente noemen, hebben wij een modderseizoen."

In een wijde bocht leidt de Ronde van New England langs Rhode Island en Cape Cod terug naar Boston. Maar niet voor we in Stockbridge, Vermont, het museum van Norman Rockwell opzoeken (zie kader). Het museum is er alleen maar gekomen na een forse donatie van bewonderaar en verzamelaar Steven Spielberg. Het schildersatelier werd in het centrum van Stockbridge plank na plank afgebroken en in het ruime museumpark heropgebouwd, als een reliek. Rockwell is dan ook een stuk nationale geschiedenis.

Op naar Cape Cod

Cod, kabeljauw, leeft alleen nog in de naam, door overbevissing vind je die niet meer op de restaurantkaarten. Er is wel meer veranderd op het lange schiereiland. De huizen en vuurtorens die Edward Hopper hier schilderde, zijn hun desolaatheid kwijt. Duizenden vakantiehuisjes zijn er gebouwd, hotels en studio's. Wie nog de legendarische weidsheid zoekt, moet helemaal naar het uiteinde, bij Provincetown, 76 km van Hyannis.

Op die route zien we ineens links van de U.S. 6 een rozerode vonk. Een cranberry-vijver ! En we boffen, de veenbessenoogst is net bezig. De besjes worden langzaam bijeengedreven en van de waterspiegel opgezogen, vrachtwagen na vrachtwagen. Simpeler kan het niet. "Vergis je niet," zegt Annie, "dit is een zeer arbeidsintensieve kweek. De struikjes groeien in komvormige, droge velden. Pas op het eind wordt alles onder water gezet, dan moeten we de rijpe bessen losschudden voor ze komen bovendrijven. Alleen in februari hebben we niets om handen. In een cranberryfamilie wordt er alleen in februari getrouwd, anders is er geen tijd."

's Avonds, aan de kade in Hyannis, lost de Mystic Light een ruim vol clams. Met veel kabaal worden de kooien in gigantische koelwagens geladen. Over enkele uren liggen de schaaldieren al op de New Yorkse vroegmarkt. Zoveel haast hebben we niet om New England te verlaten.

Ignace Van Nevel

Norman Rockwell

De kunst van de twintigste eeuw was een wervelwind van kubisme, dadaïsme, surrealisme, minimalisme, popart. Niet in de Sovjet-Unie, die hield vast aan haar socialistisch realisme. Eén man in de VS belichaamde een tegenhanger van die belerende stijl: Norman Rockwell. Zijn oeuvre kun je gerust positief realisme noemen.

Hij schilderde aan de lopende band kwajongensstreken, soldaten met of zonder lief, arbeiders, huiselijke tafereeltjes en zelfportretten. Maar altijd hing er vrolijkheid in de lucht, zelfs als anderen buskruit roken. Zoals in 1960, toen na een gerechtelijke beslissing de zesjarige Ruby Bridges in New Orleans als eerste zwart kind naar een openbare school stapte. De rassenhaat dreigde op dat moment de VS mee te slepen in een burgeroorlog.

Norman schilderde die eerste schooldag op zijn bekende manier. Alleen wie goed kijkt, merkt iets van de grimmige sfeer: KKK-graffiti op de muur, een opengespatte tomaat en de agenten in burger die haar escorteren. President Obama haalde Ruby Bridges én het doek naar zijn Oval Office voor een viering, 50 jaar na die eerste schooldag.

Fotografeerde de bekende Dorothea Lange onverbloemd de bittere armoede in de VS, dan schilderde hij opgewekte, hoopvolle volksmensen. Die knipoog heeft zijn werk trouwens nodig, want de religieuze en patriottische doeken van de 'ernstige' Rockwell doen gewoon pijn aan de ogen. Voor het weekblad The Saturday Evening Post leverde hij in 40 jaar 300 covers, virtuoze olieschilderijen op doek en meestal in groot formaat. "Een blije cover doet het blad verkopen", zo luidde zijn enige opdracht.

Tussendoor werkte hij aan 900 reclameopdrachten voor tabak en bier, voor auto's en zeep, voor het consumerende, moderne Amerika. Zijn bekendste commerciële creatie is de Santa Klaus van Coca-Cola, maar hij werkte net zo gretig voor Pepsi.

Lees meer over:

Onze partners