Huizen van bij ons

22/03/13 om 13:17 - Bijgewerkt om 13:17

Passie en een flinke dosis geduld liggen aan de basis van de renaissance van het oude stadshotel De Corenbloem in hartje Brugge.

LIEFDE OP HET TWEEDE ZICHT

Wie het avontuur induikt om een groot herenhuis op te knappen wordt meestal eerst verliefd op zo'n gebouw. "Toch was het geen liefde op het eerste gezicht", vertelt Hilde Lannoy die dit pand samen met haar man Dirk Verbeke een nieuw leven heeft geschonken. "Eigenlijk bekeken we het eerst zelfs wat nuchter als gewoon een groot en handig huis waar je wat mee kunt aanvangen."

"We dachten er aanvankelijk zelfs behoorlijk rationeel over," vult Dirk aan, "we zochten immers een groot pand in Brugge, met een ruime tuin en niet gerestaureerd." Dat laatste was voor hen van groot belang. Dirk en Hilde houden immers van oude woningen met een ziel, die niet werden stukgerestaureerd. Ze zijn tuk op oude interieurelementen zoals stucwerk, marmeren schouwen, oude deuren en planken vloeren die lekker kraken onder de voeten.

NIET AL TE BAROK

In 2009 vatten ze de restauratie aan, die twee jaar duurde. Eerst dook Hilde, kunsthistorica van opleiding, in het stadsarchief en vond heel wat terug over de oorsprong. In 1780 kreeg het huis zijn neoklassieke vorm en maakte het deel uit van een suikerraffinaderij. Het werd ook nog na 1800 en 1820 verder ingericht. Het kreeg een vrij royale uitstraling, met een ruime vestibule met daarrond verschillende salons. Hoge dubbele deuren leverden riante doorzichten op en een mooie lichtinval die extra schaduwtoetsen verleent aan de moulures.

Dat neoklassieke stucwerk is nergens overdadig. "Gelukkig," onderstreept Dirk Verbeke, "want we houden niet van wat té barok is. De neoklassieke kolommen en strakke lijsten versterken daarentegen de architectuur." Het interieur kwam dus in verschillende fazen tot stand. Aan de straatzijde ligt er nog een Lodewijk XV-salon dat van voor 1780 dateert. Boven is er een kamer in empirestijl en de vestibule lijkt van rond 1820.

TRAAG MAAR ZEKER

Het is geen sinecure om zo'n pand te restaureren met respect voor de ziel, modern comfort en zonder grote ingrepen. De gehele restauratie gebeurde trouwens zonder architect. "Dit kan probleemloos, maar je moet je dan wel aan een aantal spelregels houden", legt Dirk uit. "Om te beginnen mag je niet te snel te werk gaan."

Veel oude gebouwen worden inderdaad veel te vlug half of volledig gestript. Als de werken aanvangen, verschijnen er dan voor de deur een paar containers waarin al het pleisterwerk, deuren en veel plankenvloeren verdwijnen. "Hier ging er niets verloren," beklemtoont hij, "we hebben zelfs geen muur, geen deur en geen raam verplaatst. De valse plafonds werden weggehaald en de oude kwamen tevoorschijn en werden door een stucrestaurateur hersteld. Door traag en voorzichtig te werken ontdekten we zelfs een oude lambrisering en het verborgen deurtje tussen de zitkamer en het bureau."

ZOEK GEPASSIONEERDE VAKLUI

Het geheim van een geslaagde restauratie? "Dat zijn de vaklui waarmee je werkt", weet Dirk. "Ga dus eerst op zoek naar ambachtslui die houden van oude panden, ermee vertrouwd zijn en die niet alles willen vervangen. Zo brachten we specialisten samen die werkten aan het stucwerk, de vensters, de deuren en de lambriseringen. Maar je hebt ook zo'n specialist nodig voor de loodgieterij en de elektriciteit, die leidingen aanbrengt zonder alles open te breken en die maatwerk kan leveren." Op die manier werd alles opgeknapt, van het dakgebinte tot de achtergevel en de eeuwenoude tuinmuren die de prachtige, door Dirk en Hilde aangelegde tuin omhelzen.

Ze bewonen bijna het volledige pand, maar het is zo ruim dat ze er ook enkele gastenkamers in hebben ondergebracht. Dat was de reden om extra aandacht te schenken aan de decoratie van het huis. "Daarom spraken we Angèle Boddaert aan om samen het interieur opnieuw tot leven te wekken", vertelt Hilde. Er werd echter niet gestreefd naar pure reconstructie. Alles werd wel hersteld, maar de decoratie is een nieuwe creatie met veel aandacht voor wat er was.

FRISSER DAN GEDACHT

Dirk onderstreept dat het huis er tot hun komst somber van kleur en lichtinval uitzag en ijverde voor een opgewekte sfeer, die hij samen met Hilde terugvond in tal van naslagwerken over neoklassieke interieurs. "Het is ook een feit dat de kleuren van de interieurs rond 1800-1820 vrij opgewekt en fris waren. Men hield van lichte, uitgesproken tinten," aldus Angèle, "geen grijsnuances zoals veel mensen denken, maar mooi wit, blauw of groen. Het valt ook op, en oude verfsporen bevestigen dit, dat die stijl overal wel werd geapprecieerd, van hier tot in Rusland.

"Daarom leek ook dit interieur anno 1820 beslist meer Gustaviaans dan je denkt", besluit ze. "Dus is het teruggrijpen naar Zweedse voorbeelden nog zo gek niet. De reden waarom ligt ook voor de hand. In Zweden vind je interieurs die sindsdien vrijwel onaangeroerd zijn, maar bij ons werd alles sinds die tijd vele malen herschilderd en zijn de originele motieven en kleurstellingen meestal verdwenen."

ELKE KAMER EEN ANDER DECOR

Zoals toen gebruikelijk kregen de verschillende kamers een ander decor. Hilde en Dirk kozen ook bewust om de muren niet te behangen, maar om ze te beschilderen. "Ook hier werd toen veel op deze manier afgewerkt. Dat merk je als oude gebouwen worden afgebroken en dergelijke beschilderingen vrijkomen achter jonger behang. Het biedt de kans om je motieven aan te passen aan de grootte van je muur. Met behang kom je nooit precies uit waar je wil", weet Angèle. "Behang is trouwens drukwerk, en zoveel minder levendig om naar te kijken," vult Hilde aan. De oude deuren met de originele, maar flink beschadigde faux bois werden door Angèle hersteld. Ook het lijstwerk in de gang kreeg door kleurnuances meer kracht.

BEROEMDE NAAM

Ondertussen kreeg Hilde ook de knepen van het decoratieve naaiwerk in de vingers en creëerde ze alle gordijnen en de baldakijnen van de bedden. In huizen als dit waren de bedden oorspronkelijk allemaal voorzien van een hemel. Ze koos ook 'antieke' stoffen uit, passend bij de architectuur. Het meeste meubilair stamt eveneens uit de late achttiende of vroege negentiende eeuw. "Het is alsof dit hier altijd stond," legt Dirk uit, "maar er staan nergens te veel meubels, omdat we van een zekere soberheid houden die dit huis een eigentijds accent geeft."

Nu heet het pand De Corenbloem, maar dat was niet altijd zo. De benaming komt van een riant neoklassiek hotel dat wat verder in de straat stond en in 1860 werd afgebroken. Een 'overname' waar zelfs Brugse monumentenzorg tevreden over is, want op die manier blijft de destijds beroemde Corenbloem voortleven. Hier gaat de geschiedenis op in het heden.

INFO:

www.decorenbloem.be en www.angeleboddaert.com

Tekst Piet Swimberghe Foto's Jan Verlind e

Onze partners