Geef mij maar de portie van Fikkie

08/07/16 om 16:11 - Bijgewerkt om 16:19

De Boerenbond en Landelijke Gilden pakten deze week uit met een campagne rond de voedselprijzen. "We betalen minder voor onze eigen maaltijd dan voor de hondenbrokken van Bobby", luidde het. Die campagne trok de aandacht op een groot probleem: de prijs die onze boeren krijgen voor hun producten. En dat is véél meer dan een verhaal over vrije concurrentie.

Geef mij maar de portie van Fikkie

Het magazine Moneytalk trok de Bobby-vergelijking na en concludeerde dat ze globaal klopt, al is een maaltijd met een stevige biefstuk hopelijk wél duurder dan het gemiddelde blik hondenvoer. Maar een voorbeeld uit het leven gegrepen: toen de boer op een bepaald moment 12 cent per kilo kreeg voor zijn aardappelen, stonden ze in de winkel 1,2 euro/kg, of tien keer zoveel. Een extreem geval, maar toch betaal je in een warenhuis gemiddeld zo'n vijf keer meer voor levensmiddelen dan de boer ervoor krijgt.

Dat maakt van supermarktketens niet noodzakelijk woekeraars. Ze hebben namelijk ook flink wat kosten: voor het verpakken en labelen, het vervoer van al die producten (we willen nu eenmaal al ons eten op dezelfde plaats kopen), voor de opslag, voor het vullen en weer leegmaken van de rekken, voor het verlies door overschotten, die dan nog eens uit de rekken verwijderd moeten worden, enzovoort. Hoe lager de prijs van het basisproduct (in ons geval een kilo aardappelen), hoe hoger in verhouding al die andere kosten zijn.

Amper macht op de markt

Toch is er meer. We hebben de markt van de voedselproducten opengegooid, en dat is goed voor de consument: hoe meer concurrentie, hoe lager de prijs. Maar dat is een té eenvoudig verhaal. Achter die lagere prijzen uit andere landen en continenten zitten soms weinig fraaie verhalen. Onmenselijke arbeidsomstandigheden en derdewereldlonen, dierenmishandeling, bedenkelijke verwerkingsprocessen, milieuschade enzovoort. Van al die factoren zie je vaak amper nog iets als het product in de rekken ligt, maar ze zijn er wel degelijk.

Op al deze vlakken hebben ons land en de EU nauwkeurige regels en wetten voorgeschreven die de prijs van het product natuurlijk opdrijven, maar net over de prijs zelf zijn er amper wetten. De enige wet is die van vraag en aanbod, en de facto bevoordeelt die de aanbieder met de laagste prijs. Alles is wettelijk geregeld, behalve het loon van onze boeren, die als kleine spelers al te weinig invloed hebben op de prijs. Er zijn zeker supermarktketens die deze toestand misbruiken. Er zijn er ook die begrip hebben voor de boer en hem iets meer willen betalen, al dan niet doorgerekend aan de klant.

De grillen van het weer en de politiek

Je kan zeggen dat de situatie van een boer nu eenmaal niet anders is dan die van pakweg een autobouwer. Er is één groot verschil: naast de concurrentie van de markt, draagt de boer ook de risico's van het weer, in eigen land maar zelfs tot in andere continenten. Nog een factor waarop hij amper invloed heeft. En dan is er de jongste jaren nog toenemende politieke onzekerheid, denk aan het Russische embargo of de mogelijke gevolgen van de Brexit.

Al die factoren samen brengen een grote onzekerheid met zich mee die je niet kan vergelijken met die van de meeste andere beroepen. Alsof een baas tegen zijn werknemer zou zeggen: "Je krijgt van mij misschien 2000 euro netto per maand, maar dan wel bekeken op tien jaar. Op goede maanden zal je 4000 euro verdienen, op slechte moet je mij 1000 euro betalen." Een voorstel dat geen enkele werknemer zou aanvaarden. Bij boeren is dat dagelijkse kost. Ze kunnen dan misschien beslissen om nog wat harder te werken of de kosten te beperken, maar dat zou soms de put nog groter kunnen maken. Zelfs dat weten ze niet altijd zeker.

Twee procent wordt tien procent

Dat allemaal om te zeggen: de laagste prijs is lang niet altijd een correcte prijs. Meedogenloze concurrentie kan zo ver gaan dat de toekomst van onze boeren in gevaar komt, wat momenteel stilaan aan het gebeuren is in een aantal sectoren. Wie koudweg vindt dat de de ijzeren wetten van de vrije markt maar moeten spelen, gaat ook akkoord met alle onfrisse praktijken die wereldwijd gepaard gaan met een gezichtsloze concurrentie.

Sommige consumenten gaan voor de laagste prijs omdat ze zich deze vragen niet stellen. Andere omdat ze zich niet anders kunnen permitteren, en dat is perfect te begrijpen. Maar de meeste consumenten zouden iets meer aandacht voor de herkomst en kwaliteit van hun voedsel en de prijs aan de boer amper voelen. Als nu op één euro telkens twintig cent naar de boer gaat, dan is een meerprijs van twee cent (dus twee procent van de prijs) al genoeg om het inkomen van de boer met tien procent te verhogen!

Er is hoop

Steeds meer mensen zijn zich bewust van al die problemen en willen er ook iets aan doen. En dat kan. Bepaalde winkelketens pakken bijvoorbeeld openlijk uit met hun steun aan de boeren. Daar kan je rekening mee houden. Je kan gaan voor regionale producten, in gespecialiseerde winkels of ook weer in warenhuizen die daar soms zelfs een eigen afdeling voor hebben. Je kan letten op kwaliteitslabels die een bepaalde, duidelijk beschreven werkwijze op de boerderij garanderen. Of je kan zelf naar de boer gaan en bij hem zijn producten kopen, in een hoevewinkel of - nadat je een jaarsom hebt betaald - zelf kraakvers van het veld geoogst

Het is goed om te zien dat zeker dat laatste domein jaar na jaar aan het groeien is in Vlaanderen. Hopelijk is het een aanwijzing van een bredere trend.

Peter Vandeweerdt

Onze partners